Activiteiten geheime diensten en het gebruik van radio vanuit Australië en Ceylon in WO2 ** / – …. .. … / .. … /.- / … . .–. .- .-. .- – .. — -. / -… . – .– . . -. / -.. ..- – -.-. …. / .- -. -.. / . -. –. .-.. .. … …. / Activities Dutch secret services and the use of radio from Australia and Ceylon in WW2

(for English, see text in green)

Voorwoord / Preface

Dit onderwerp heeft in de verte een relatie met de radio-interceptiegeschiedenis in Gorinchem tijdens de Koude Oorlog. Dit, omdat bij het in 1950 in eerste instantie experimenteel opgezette radio-interceptiestation van de Landmacht bij Kijkduin gebruik gemaakt werd van enkele ervaren mensen van de Marine en het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Die ervaring, die de betreffende mensen hadden, was grotendeels opgedaan in Australië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die ervaring stond dus aan de basis van de oprichting van het 105 Radioverkenningsbataljon, wat in 1955 naar Gorinchem kwam.

In dit artikel is getracht om kort de organisatie van de geheime diensten weer te geven en daarna hun acties te velde, waarbij, gezien ons interessegebied in het minimuseum de (radio) Luisterpost Gorinchem, extra aandacht is besteed aan het gebruik van radio.

Verder is er opzettelijk wat buiten dit kader getreden omdat ook aandacht besteed moet worden aan de pogingen om in Nederlands-Indië over te gaan tot een guerrillaoorlog en aan het verzet. Dit omdat enerzijds de verzetsgroepen in contact trachtten te komen met de Geallieerden en anderzijds, door het sturen van agenten en “parties” (groepjes infiltranten of commando’s), de inlichtingendiensten in contact trachtten te komen met het verzet. Echter het aantal verzetsgroepen was zo groot, dat dit een groot verhaal op zich zou worden. Daarom is volstaan met een overzicht en een korte beschrijving van het gebruik van radio bij de contactpogingen. Ook is het nodig aandacht te besteden aan de wreedheden der Japanners om het verzetswerk in het juiste perspectief te plaatsen. De meeste verzetswerkers zijn dan ook om het leven gekomen.

This subject has a distant relation with the Cold War radio-intercept history in Gorinchem. This is the case, because with the set-up in 1950 of an (at first) experimental radio-intercept station of the Dutch Army near the Dutch west coast at Kijkduin, they made use of experienced man from the Dutch Navy and the former KNIL (Royal Dutch East Indies Army). The experience these men had, was gained mainly during the intelligence and radio activities in Australia during WW2. The experience formed the basis of the founding of the 105 Radio reconnaissance battalion, which in 1955 came to the small fortified town Gorinchem, south of the centre of the Netherlands.

In this story a brief  explanation is given of the organisation of the intelligence services in Australia and a description of all intelligence actions in the field. In view of our area of interest with regard to our Mini Museum Radio Intercept Station Gorinchem, extra effort is made to add some information with respect to the use of radio.

Some attention is made on describing the attempts to start a guerrilla war and the resistance work in the Dutch East Indies, because at one hand these groups tried to contact the Allies by means of radio and on the other hand the intelligence services tried to contact them by means of sending agents and parties to occupied areas. Also the atrocities of the Japanese have to be made clear to get a feeling for the conditions under which the resistance work was done, that costed most resistance workers their lives. However the resistance groups were that many that this subject is a whole story by itself. In view of the subject of the story at hand, this story is limited to an overview and a short description of the activities with radio.

Overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universal Public Domain Dedication.

Overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universal Public Domain Dedication.

Verder zijn de infiltratieacties zo volledig mogelijke beschreven en overzichten op kaarten te geven.  Dit omdat infiltratieactiviteiten over het algemeen uiteindelijk van radioverbindingen gebruik moesten maken om hun informatie door te kunnen geven. Hoewel er enkele boeken over dit onderwerp zijn geschreven is het in Nederland en zeker in deze tijd vrijwel onbekend, dat Nederland hier een grote inspanning heeft gedaan en dat een groot deel van de mensen, die de infiltratieacties uitvoerden hierbij om het leven zijn gekomen. Deze dappere mensen verdienen het, dat hieraan weer eens aandacht wordt besteed.

Furthermore are described the actual infiltration activities for which the radio communication was needed. The quite elaborate description of these activities might seem a bit off-topic, however this is done on purpose, because most of them had to use radio communication to report back to the intelligence services and although a few books are written on the subject, certainly in this time it is not very well known that the Dutch spend a large effort on infiltration attempts and a lot of brave men lost their lives trying. It is to honour these men that their story is told again here, as complete as possible with overview maps.


Eerste opzet in Ceylon en Australië / First set-up in Ceylon and Australia

Bij de verovering van Java door de Japanners in maart 1942, weken delen van de Marine en van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) uit naar Australië. Echter een deel van de Marine met viceadmiraal Helfrich week uit naar het Britse Colombo op Ceylon (tegenwoordig Sri Lanka).

Ook hadden al eerder een aantal bestuurders en burgers, die over bruikbare capaciteiten beschikten opdracht gekregen om zich naar Australië te begeven. Hieronder vielen o.a. de heer A. H. J. Lovink, hoofd van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken, die leiding had gegeven aan de bestrijding van de Japanse spionage. En ir. C. J. Warners, hoofd Technische Dienst en Telefoonexploitatie der PTT, met ir. J. Jansen, die hij opdracht gegeven had om bruikbare zenders voor eventueel geheim radiocontact te construeren. Jansen had een toestel dat bijna af was, naar Australië meegenomen.

Ook bevond zich in Australië kapitein-luitenant-ter-zee G. B. Salm, die in februari 1941 door Helfrich als verbindingsofficier naar Melbourne was gezonden en die daar veel contact had gehad met de inlichtingenafdelingen van de Australische hoofdkwartieren.

After the conquest of the Dutch East Indies by the Japanese with as final drama the conquest of the island of Java in March 1942, parts of the Dutch Navy and the KNIL escaped, mainly to Australia. However a part of the Navy with Admiral Helfrich escaped to Ceylon (now Sri Lanka).

Just before that time a few man on important positions in the government of the Dutch East Indies and other civilians with useful capacities had been ordered to leave for Australia. Under this select group was A. H. J. Lovink, the head of the Service for East Asiatic Affairs, who had run the counter Japanese espionage, also ir. C. J. Warners, the head of the Technical Service of the Dutch East Indies Post and Telegraph Service (PTT), together with his expert on radio, ir. J. Jansen. Shortly before ir. Jansen was instructed to develop a radio set suitable for secret radio communications with occupied territories. , ir. J. Jansen took a set that was nearly finished with him to Australia.

Already in Australia was Lieutenant Commander G. B. Salm, who in February 1941 had been send to Melbourne by Vice Admiral Helfrich, to function as a liaison officer. He did establish good contacts with the Australian HQ’s and intelligence services.

Vice-admiral Helfrich. Photograph by Willem van de Poll – Nationaal Archief, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=30024049

Viceadmiraal Helfrich werd toen benoemd tot Bevelhebber van de Strijdkrachten in het Oosten (BSO), dus commandant van de Marine en de landstrijdkrachten (KNIL), waaronder de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) en de Militaire Luchtvaart afdeling van het KNIL (ML). Het grootste deel van zijn strijdmacht zat dus in Australië. Er was dan ook behoefte aan een eigen radioverbinding tussen Colombo en de Nederlandse strijdkrachten in Australië.

Warners was daarom vrijwel onmiddellijk na zijn aankomst in Australië ervoor gaan zorgen dat de daar gevestigde Nederlands-Indische autoriteiten de beschikking zouden krijgen over een eigen sterke zender, die dus in de eerste plaats nodig was om codetelegrammen te wisselen met Helfrich op Ceylon.

Daar was in de villa Beach View bij Colombo door de Nederlandse marine op 8 april 1942 een radiostation in gebruik gesteld, bestaande uit twee zenders van het radiostation Manggarai, welke nog net op tijd per schip naar Ceylon waren getransporteerd. Twee weken nadat het laatste nog vrije radio station van de Marine, dat te Bandoeng op Java, had moeten sluiten, was de marine weer in de lucht vanuit Beach View.

In Australië moest men aanvankelijk gebruik maken van zenders van de Australische strijdkrachten en dat was ongewenst. Toen Warners naar Londen zou vertrekken, werd de opdracht om voor een zender bij Melbourne te zorgen aan een verbindingsspecialist van de Koninklijke Marine gegeven, luitenant-ter-zee eerste klasse J. J. Quéré en onder diens verantwoordelijkheid kwam die zender tot stand, waarbij ir. Jansen de technische leiding had.

Dit betreft dan het Nederlandse zendontvangstation opgezet bij het plaatsje Yuroke 5 km west van de plaats Craigieburn, dat ongeveer 25 km ten noorden ligt van Melbourne. In juli 1942 werd de Nederlandse verbinding met Ceylon in gebruik gesteld, 4 maanden na de capitulatie van de geallieerde troepen op Java.

Vice Admiral Helfrich was appointed by the Dutch government in London as Commander of all Dutch forces in the East. These were the remainders of the Navy and the KNIL. The Dutch air forces were part of the Navy and the KNIL, being the Naval Air Service (MLD) and the Military Air wing (ML). Most of these forces were in Australia, which made a radio-link between the commander on Ceylon and the Dutch forces in Australia, an urgent matter to be accomplished.

Immediately after arrival in Australia, ir. Warners had started to arrange a strong radio station for the Dutch authorities, to enable a means of direct contact with Vice Admiral Helfrich. On Ceylon, the Dutch Navy managed already on the 8th of April 1942 to put into to service a strong radio communication station, situated in the villa Beach View in Colombo. This was due to a quite foreseeing action of putting two transmitters of the radio station Manggarai on a freighter to Ceylon just before the capitulation of Java. So just two weeks after the last free Navy radio station in Bandoeng on Java had to close down, the Dutch Navy was on the air again from Beach View Colombo.

In Australia, at first, they had to make use of radio communication stations of the Australian forces, which was of course not an ideal situation. Ir. Warners was send to London and now navy radio communication specialist Lieutenant Commander first class J. J. Quéré was put in charge of arranging a radio communication station near Melbourne. Ir. Jansen was put in charge of the technical matters of the construction of the station. The station was erected at the village Yuroke 5 km west of the town Craigieburn, situated 25 km north of Melbourne. In July 1942 the Dutch radio-link with Ceylon was established, 4 months after the  capitulation of the allied forces on Java.

Image by Google Earth, edited by Hugo Ouwerkerk.

In het boek van K.W.L. Bezemer is vermeld, dat ir. Janssen moeite, noch tijd heeft gespaard om een perfect station te bouwen met een modern antennesysteem. Echter voorlopig is er geen duidelijkheid verkregen of ir. Jansen de apparatuur zelf heeft vervaardigd, of dat men de apparatuur had gekocht.

In Australië werd radioapparatuur gefabriceerd, maar men kan ook apparatuur in Amerika hebben gekocht. Over de gebruikte apparatuur door de Nederlandse zend- en ontvangstations in Australië is vooralsnog niets bekend. Betreffende het antennesysteem zijn er ook geen gegevens beschikbaar. Het was toen gebruikelijk om met draadantennes te werken. Van andere militaire stations in Australië in die tijd is bekend, dat men met Rhombic antennes werkte.

Indien men in Australië wat kon kopen of overnemen, dan was de zender waarschijnlijk een AT-13 of AT-14. De ontvangers van dit station zouden ontvangers kunnen zijn die ook bij de Royal Australian Air Force (RAAF) in gebruik waren, temeer daar er ook sprake van is, dat de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) bij de opzet van het radiostation bij Yuroke betrokken was. Die ontvangers zouden dan van het type AR-7 geweest kunnen zijn. Bij de Australische landmacht in gebruik als Reception Set No.1.

According the book of K.W.L. Bezemer, ir. Jansen did his utmost to build a perfect radio communication station with a modern antenna system. However it is not clear if he made the equipment himself or that equipment was bought.

In Australia radio equipment was made, but equipment could also have been bought in America. So far nothing is known about the equipment used in the Dutch radio communication stations. There is also no information about the “modern” antenna system that was used. However usual for a radio reception station in that time in that area was the use of wire antenna’s. About other military reception stations in Australia is known that they use Rhombic type wire antenna’s.

If the Dutch were able to lent or buy Australian radio equipment, the transmitters were probably the Australian type AT-13 or AT-14. The receivers could have been also Australian, because there a good receiver was made designated Reception set No. 1 for the army or the AR-7 for the Royal Australian Air Force (RAAF). Also mentioned is that the MLD was involved with the set-up of the radio communication station at Yuroke, making the  AR-7 more likely.

The AWA AT13 transmitter looked similar to the AT-20. Range 2-20Mc, transmitting power 500 W.  https://www.qsl.net/vk2dym/radio/PICTURESa.htm.

RAAF AR-7 receiver, fabricate Kingsley, Superhet with RF-stage; ZF/IF 455 kHz; 2 AF stage(s). Range 140 kc to 25 Mc. Based on the HRO 5 design. http://www.tuberadio.com/robinson/museum/AR7/


Opzet inlichtingendiensten / Organisation of the intelligence services

Zo was er dus een verbinding met de BSO en kon deze het commando voeren over alle Nederlandse troepen in het oosten (de Pacific), al bleef dat op afstand toch lastig. Voor Australië was dan ook Schout-bij-nacht F.W. Coster benoemd tot Onderbevelhebber Strijdkrachten Oosten (OBSO). Intussen was begonnen met het opzetten van een militaire organisatie, waaronder ook een inlichtingendienst, die tot doelstelling kreeg om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over Nederlands Indië en deze beschikbaar te stellen aan de geallieerde strijdkrachten. Die geallieerde strijdkrachten in Australië vielen onder de Amerikaanse generaal MacArthur.

Naast de militairen die waren uitgeweken van Nederlands Indië naar Australië, waren ook vertegenwoordigers van het burgerlijk bestuur. H.J. van Mook, minister van Koloniën en luitenant-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, zette een commissie op voor de Nederlands Indische belangen en verdere civiele organisatie, de Indische Commissie genoemd. Er werd ook een civiele inlichtingendienst opgezet. Echter het civiele bestuur van Nederlands Indië beschikte ook weer over een militaire tak vanuit het KNIL en de Gouvernementsmarine, dus hier waren ook personen met een militaire rang werkzaam.

Er was ook een mengelmoes van militaire en civiele inlichtingendiensten van de andere geallieerden aanwezig in Australië, die in het begin vooral langs elkaar heen werkten. Nadat de Pacific was opgedeeld in twee operatiegebieden, vielen Australië en Nederlands-Indië (behalve Sumatra) onder de South-West Pacific Area, waar de Amerikanen de leiding hadden onder generaal MacArthur. Sumatra viel onder de South-East Asian Area, waar de Britten de leiding hadden.

Zijn stafbureau G2-SWPA moest nu de activiteiten van de verschillende inlichtingendiensten gaan coördineren. Voor coördinatie van sabotage-activiteiten in bezet gebied werd in het leven geroepen het ISD (Interallied Service Department) met aan het hoofd de Britse Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott en met operatiegebied Nederlands-Indië, Brits New-Guinea, omliggende eilanden en Portugees Timor.

Van Nederlandse zijde werden aan het ISD toegevoegd luitenant-ter-zee eerste klasse J. J. Quéré en kapitein ir. Janssen. Zij vormden de Netherlands East-Indies Section (NEI) van het ISD. Het ISD stond echter onder sterke Engelse invloed (ging zijn eigen gang). Generaal MacArthur beviel dit niet en wilde verdere integratie, waarvoor werd opgericht het AIB (Allied Intelligence Bureau), het ISD werd een onderdeel daarvan.

General MacArthur. By Photographer not credited. – Naval Historical Center; Direct link. Photo #: USA C-2413 (Color), photograph from the Army Signal Corps Collection in the U.S. National Archives., Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=6492036

So, the radio link with the Commander Dutch Forces in the East (BSO) was activated and now he was able to command all Dutch forces in the East, however this distant command was still a bit of a handicap. Therefore rear admiral F.W. Coster was appointed as Under Commander Dutch Forces in the East (OBSO).

In the meantime in Australia a new military organisation was founded for the remains of the Dutch forces present in Australia. Part of this organisation would also be an intelligence service. The task of this intelligence service was gather as much information about the occupied Dutch East Indies and make this information available to the allied forces in Australia.

Next to the military organisation, also a civilian organisation was formed and called the Indies Committee. Also a civilian intelligence service was organised. The old colonial government had also a military part out of the KNIL and a governmental Navy. So also man with a military rank were part of the civilian intelligence service.

In Australia was also a mishmash of other intelligence services active, of all the other allied parties, that in the beginning were working alongside each other without any coordination. After the theatre of the war against Japan was divided in operational areas, the American general MacArthur became responsible for operations in the South-West Pacific Area, that included the Dutch East Indies, except the large island Sumatra, which belonged to the British command of the South-East Asian Area.

His general staff bureau G2-SWPA now had to coordinate all these intelligence services. For coordination of sabotage activities in occupied area they founded the ISD (Interallied Service Department) headed by the British Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott with operational area the Dutch East Indies, British New-Guinea, the surrounding islands and Portuguese Timor.

For the Dutch part of the ISD were forwarded Lieutenant Commander first class J. J. Quéré and ir. Jansen. They formed the Netherlands East-Indies Section (NEI) of the ISD. However the ISD appeared to be very much influenced by the British and became more or less an organisation on its own. General MacArthur did not like that and he demanded more integration with the other services. Then the AIB (Allied Intelligence Bureau) was founded and the ISD became an integral part of the AIB.

Allied Intelligence Bureau (het A.I.B.) / Allied Intelligence Bureau (het A.I.B.)

Section A (Special Operations) onder Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott (ISD).
Section B (Secret Intelligence)
Section C (Combined Field Intelligence)
Section D (Subversive Propaganda).

Alleen met Section C, de Combined Field Intelligence, werd door de Amerikanen nauw samengewerkt, omdat bij deze Section de radioberichten van de coast watchers binnenkwamen die geruime tijd zowel voor MacArthur als voor admiraal Nimitz  (Commander Central Pcific Area) van belang waren.

Section A had dus een Nederlandse afdeling, de NEI-afdeling, geleid door luitenant-ter-zee eerste klasse J. J. Quéré, die ook hoofd werd van de NEI-afdeling van Section C van het AIB. Met Section D, werkte de NIGIS (Netherlands Indies Government Information Service) samen.

Section A (Special Operations) under Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott (ISD).
Section B (Secret Intelligence)
Section C (Combined Field Intelligence)
Section D (Subversive Propaganda).

However the Americans themselves worked only with Section C, Combined Field Intelligence because there the messages of the Coastwatchers were received, that were of importance for some time for MacArthur as well as for Nimitz (Commander Central Pacific Area).

Section A had a Dutch department, the NEI-department, led by Lieutenant Commander first class J. J. Quéré, who became also the head of the NEI-department of Section C of the AIB. The NIGIS (Netherlands Indies Government Information Service) worked together with Section D.

SOE / SOE

De Britse inlichtingendiensten waren in Australië vertegenwoordigd door hun afdelingen MI-6 en de SOE (Special Operations Executive). MI-6 verzamelde militaire inlichtingen en de SOE moest sabotage- en infiltratie-acties ondernemen en guerrilla-activiteiten ondersteunen in de bezette gebieden. Egerton Mott kwam van de pas in 1940 opgerichte SOE en had dus weinig ervaring met militair inlichtingenwerk en infiltratie-acties, evenals het NEI onder luitenant-ter-zee eerste klasse J. J. Quéré, die overigens vrij zelfstandig kon opereren.

Quéré was een (radio) technische man en wist niets van zowel inlichtingwerk als van infiltratie- en sabotage-acties. Hij had dan ook aangegeven, dat hij niet de geschikte man was voor deze hem opgedragen functie, maar moest die toch vervullen. Door deze onervarenheid werden de acties niet voldoende voorbereid tevens had men geen geluk.

Door AIB Section A, onder Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott en luitenant-ter-zee eerste klasse J. J. Quéré werden de eerste groepen infiltranten en geheimagenten naar Java gestuurd, welke acties later worden beschreven. Zowel groepjes infiltranten, als agenten op zichzelf werden “parties” genoemd.

Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott. Source British Special Forces Roll of Honour. Public domain. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Egerton_Mott.jpg

The British intelligence services were in Australia represented by their sections MI-6 and the SOE (Special Operations Executive). MI-6 gathered (military) intelligence and the SOE (Special Operations Executive) did organise infiltration, sabotage an guerrilla actions in occupied areas. Egerton Mott joined the SOE in 1940 and was not very experienced with intelligence and infiltration actions. And Lieutenant Commander First Class J. J. Quéré and his NEI had no experience at all.

Quéré was allowed to operate quite independent, but in fact he was a Naval radio engineer, he did know nothing about the work he now had to manage. Before he got this job he had indicated that he was not suited for the job, but he was commanded to do it anyway. Due to this inexperience the actions were not suitably prepared and also they did not have any luck either.

By AIB Section A, under Lieutenant-Colonel G. Egerton Mott and  Lieutenant Commander First Class J. J. Quéré the first secret agents and groups of infiltrators were send to the large island of Java, which action will be described later. These groups and single agents were called “parties”.

In better days; a group-picture of the officers on board of the cruiser Hr. Ms. Sumatra in 1926, with a still very young  J. J. Quéré at the far right in front. De radio experiments then performed on board the Hr. Ms. Sumatra seems to have had a spin-off of  young radio engineers, more than the in a former article mentioned captain G.L. Schorer en second lieutenant J.F.W. Nuboer all present in this group.

NEFIS / NEFIS

Kapitein-luitenant-ter-zee Salm was in 1941 al naar Australië gestuurd als liaisonofficier naar de Australian Commonwealth Naval Board in Melbourne en had daar veel contacten opgebouwd. In 1942 vonden MacArthur en Sir Thomas Albert Blamey (Commander of Allied Land Forces in the South West Pacific), het van vitaal belang dat er een Nederlands militair bureau kwam dat alle informatie over Nederlands-Indië zou verzamelen en analyseren. En het ook wenselijk was dat er een Nederlandse instantie zou worden opgericht die werkzaam zou zijn op (intern) veiligheidsgebied.

Toen kwamen de contacten van kapitein-luitenant-ter-zee Salm van pas, hij kreeg veel medewerking van de Australiërs en Amerikanen en spoedig functioneerde onder hem een dienst waarbij niet alleen officieren van de Koninklijke Marine en van het KNIL maar ook enkele Britse en Australische officieren en een aantal burgers werkzaam waren.

Die dienst had twee afdelingen: één voor de militaire berichtgeving met als hoofd kapitein Spoor en een veiligheidsafdeling met als hoofd luitenant-ter-zee eerste klasse J. A. F. H. Douw van der Krap. De organisatie kreeg de naam Marine- en Leger Inlichtingendienst, maar vanwege het internationale samenwerking noemde men deze al snel de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS).

Captain Lieutenant Commander Salm was send to Australia in 1941, to serve as a liaison officer at the Australian Commonwealth Naval Board in Melbourne and did gain many contacts. In 1942 MacArthur en Sir Thomas Albert Blamey (commander of Allied Land Forces in the South West Pacific), considered that it was of the utmost importance that a Dutch military bureau was organised that gathered and analysed all information on the Dutch East Indies. Also a Dutch bureau that organised and maintained internal security should be founded.

Now the contacts of Captain Lieutenant Commander Salm payed off, he got a lot of support from the Australians and Americans resulting quickly in a service in which not only officers of the Dutch Navy and the KNIL were working, but also some Australian and British officers as well as civilians.

That service had two sections: one for military intelligence under captain Spoor and a section security under Lieutenant Commander First Class J. A. F. H. Douw van der Krap. The service was named “Marine- en Leger Inlichtingendienst” (Navy and Army Intelligence Service). However the Dutch name was not very handy in the close cooperation with the other allied intelligence services and soon it was called the Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS).

Organisation chart of  NEFIS from June or July 1942. Taken from the inventory, chapter history of the archive initiator,the archive of the “Marine en Leger Inlichtingendienst”, the Netherlands Forces Intelligence Service and the “Centrale Militaire Inlichtingendienst” in the Dutch East Indies. Access no.: 2.10.62. By P.L. Groen, National Archives,The Hague 2001.

In het begin had de NEFIS geen bemoeienis met het uitzenden van geheim agenten en groepen naar Nederlands Indië, dat was vooralsnog een activiteit van het AIB sectie A.

In april 1943 werd de Marine- en Leger Inlichtingendienst gereorganiseerd en werd de naam NEFIS officieel. Er waren nu drie secties gevormd:
– Sectie I: Het verzamelen, verwerken en distribueren van alle inlichtingen.
– Sectie II: De zorg voor de veiligheid bij de Nederlandse strijdkrachten in Australië (Security).
– Sectie III: Special Operations (Uitzendingen van agenten en commando’s in vijandelijk gebied).

At first, the NEFIS did not have anything to do with sending of agents and infiltration parties to the Dutch East Indies, this was an activity the AIB section A.

In April 1943 the “de Marine- en Leger Inlichtingendienst” was reorganised and the name NEFIS became official. Now there were three sections:
– Sectie I: Gathering, processing and distribution of intelligence.
– Sectie II: Security of the Dutch forces in Australia.
– Sectie III: Special Operations (sending agents and commando’s to occupied areas).

Organisation chart NEFIS from the beginning of April 1943. Taken from the inventory, chapter history of the archive initiator,the archive of the “Marine en Leger Inlichtingendienst”, the Netherlands Forces Intelligence Service and the “Centrale Militaire Inlichtingendienst” in the Dutch East Indies. Access no.: 2.10.62. By P.L. Groen, National Archives,The Hague 2001.

Met de oprichting van sectie III was het uitzetten van agenten en commando’s in vijandelijk gebied, wat betreft Nederlands Indië verschoven naar de NEFIS, waarbij later Quéré vervangen werd door luitenant-ter-zee eerste klasse L. Brouwer, een Japanoloog en cryptograaf.

In juni-augustus 1944 werd de NEFIS verder uitgebreid met:
– Sectie IV: Military Intelligence: (M.I.)
– Sectie V: Civil affairs Intelligence.
– Sectie VI Technical Photo Service (T.P.S.).

With the start of section III the responsibility for inserting agents and insertion groups in occupied area was now shifted from to the NEFIS. Sometime later Quéré was replaced by Lieutenant Commander First Class L. Brouwer, an expert on Japanese culture and language, also being a cryptographer.

In June-Augustus 1944 NEFIS was further extended with:
– Section IV: Military Intelligence: (M.I.)
– Section V: Civil affairs Intelligence.
– Section VI Technical Photo Service (T.P.S.).

Organisation chart of NEFIS from the start of June 1944. Taken from the inventory, chapter history of the archive initiator,the archive of the “Marine en Leger Inlichtingendienst”, the Netherlands Forces Intelligence Service and the “Centrale Militaire Inlichtingendienst” in the Dutch East Indies. Access no.: 2.10.62. By P.L. Groen, National Archives,The Hague 2001.

Photo from https://www.ozatwar.com/locations/225domainrd.htm

inmiddels niet meer. In juli 1944 verhuisde men naar Camp Columbia in Wacol, Brisbane, het voormalige legerkamp van het 6e Amerikaanse leger.

NEFIS III was accommodated in this villa, 225 Domain Road, South Yarra, Melbourne. This villa does not exist anymore. In July 1944 they moved to Camp Columbia in Wacol, Brisbane, the former camp of the 6th American Army.

Here, with the decoration of sergeant Kokkelink, a small part of camp Columbia can be seen. Photo collection of the Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no. 2155_022823.

NIGIS / NIGIS

De NIGIS (Netherlands Indies Government Information Service) was een civiele inlichtingen- en propagandadienst,  waarin de Indische Commissie, de Koninklijke Marine en het KNIL samenwerkten.
Luitenant ter zee eerste klasse H. V. Quispel, werd het hoofd van deze dienst.
De Marine en het KNIL hadden geen eigen voorlichtingsdienst maar gaven alles wat hunnerzijds te berichten viel, aan de NIGIS door. Uiteindelijk werkten bij deze dienst meer dan 100 personen.

De dienst beschikte over:
– een film- en foto-afdeling.
– tijdschriften; Oranje en het Indonesische blad Penjoeloeh.
– afdelingen voor het uitwerken van uit Indië opgevangen radio-uitzendingen.
– afdelingen voor het samenstellen van radioprogramma’s die naar Indië moesten worden
   uitgezonden.

The NIGIS (Netherlands Indies Government Information Service) was a civil intelligence and propaganda service, in which the Indies Committee, the Navy and the KNIL worked together. Lieutenant Commander First Class H. V. Quispel became the head of this service. The Navy and the KNIL had no messages service of their own and gave their messages to the NIGIS. At the end there were a 100 people working for the NIGIS.

The service consisted of:
– a film and photo service.
– a publication service that published the magazines “Oranje” and “Penjoeloeh” for the Indies.
– sections that made reports of the received broadcasts of radio stations in the Indies, that were under Japanese control.
– sections that made radio programs, that were to broadcasted towards the Dutch East Indies.

Netherlands Indies Government Information Services (NIGIS) in Australia. “Braintrust NIGIS”, from left to right: A. Schuurman (news department); capt. F. Daniëll (Austr.) (Film en Photo Unit); kapt. J. Schim van der Loeff, correspondent; Lt. t/zee 1e klas H. Quispel (Head NIGIS); Hr. M. Pool (administration); Lt. G. van Rijn (secretary NIGIS); Hr. K. Hauserman (listening service). Date 1944 to 1945. Photo collection Netherlands Institute for Military History (NIMH).

Insulinde / Insulinde

Begin maart 1942 kwam uit Engeland op Ceylon de voorhoede aan van het voor de strijd op Java bedoelde deel van de Irene-brigade. Echter Java was al door de Japanners bezet, dus werden ze voor andere taken gebruikt. Uiteindelijk begonnen 40 man aan een opleiding als SOE-agent en vormden het korps Insulinde, dat onder commando kwam te staan van majoor Mollinger. De opleiding was meer een soort commandotraining, dus Insulinde was een gevechtseenheid. De eerste taak van het Korps Insulinde werd het uitzenden van verkenningspatrouilles naar Sumatra. De naam Insulinde is een koosnaam, die door Nederlanders gebruikt werd in plaats van Nederland-Indië.

At the beginning of March 1942, the first men of the new Dutch brigade “Irene” (named after the last born princess) arrived on Ceylon. They were shipped from England with the intention to reinforce the KNIL on Java, however, in the meantime the Japanese had conQuéréd Java. So they were now used for other duties. Eventually 40 men started a kind of commando training by the SOE and with them the Dutch commando unit “Insulinde” was formed. The name Insulinde was synonymous with the Dutch East Indies. The first task was sending out recognisance patrols to the island of Sumatra.

OSS / OSS

Het Amerikaanse Office of Strategic Services (OSS), was opgericht in 1942 en had afdelingen voor Intelligence, Operations en Research, die onder meer de functies combineerde die in Engeland door MI-6 en SOE vervuld werden. H.J. van Mook, minister van Koloniën en luitenant-gouverneur-generaal van Nederlands Indië maakte tijdens zijn bezoek aan de Verenigde Staten afspraken met de OSS, betreffende Nederlandse assistentie bij het rekruteren van aspirant geheim agenten voor inzet in Nederlands Indië.

The American Office of Strategic Services (OSS), was founded in 1942 and had sections for Intelligence, Operations and Research, that combined all functions, that with the British were separated in MI-6 and the SOE. Mr. H.J. van Mook, minister of the Colonies and during the war appointed Lieutenant Governor of the Dutch East Indies, during his visit to the United States, agreed with the OSS, that the Netherlands would assist the OSS with recruiting agents to be deployed in the Dutch East Indies.

Mr. H.J. van Mook . By NIGIS [Netherlands Indies Government Information Service], [unknown] – Photo collection Anefo. National Archive, The Hague, access no. 2.24.01.09, part number 902-0279., CC BY-SA 3.0 nl, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=39772718.

Het was de bedoeling, dat de OSS deze rekruten zou trainen, hoewel na een bezoek aan een trainingskamp van de OSS in de Verenigde Staten schreef de inmiddels tot reserve-kolonel benoemde ir. C. J. Warners: “de training was door de OSS geheel gericht op de omstandigheden in Europa, van het werken in de Far East hebben ze geen idee. ’t Is min of meer ontstellend hoe men deze mensen wil wegzenden als geheim agenten. De radioapparatuur is onvoldoende voor het huidige doel”. Eind 1943 ging de OSS van Ceylon uit opereren, onder leiding van de Amerikaanse natuuronderzoeker Ripley. Van daaruit zijn wat acties op Sumatra ondernomen.

Tot zover de organisatie van de Nederlandse inlichtingendiensten en de daarmee verbonden inlichtingendiensten.

The OSS would train these agents, however, when Ir. C. J. Warners (being appointed to reserve Colonel) visited the training camp in the US, he wrote “the training  by the OSS was soly aimed on circumstances in Europe. About the circumstances in the Far East they don’t have a clue. It is at least shocking how ill prepared they want to send away these men as secret agents. Also the radio equipment is not fit for the purpose”. By the end of 1943 the OSS started operations from Ceylon, directed by the American naturalist Ripley. They also undertook actions against the island of Sumatra.

Till so far the organisation of the Dutch intelligence services and associated Allied services.


Radio / Radio (wireless)

Als eerder vermeld was er dus een zendontvangstation bij het plaatsje Yuroke 5 km west van de plaats Craigieburn, dat ongeveer 25 km ten noorden ligt van Melbourne. Vanaf dit zendontvangstation werd er een teleprinterverbinding (TELEX) gemaakt met NEFIS III, 260 Domain Road, South Yarra, Melbourne. Ook werd er een teleprinterverbinding gemaakt vanaf dit zendontvangstation naar Wacol in Brisbane. In Brisbane zetelde het hoofdkwartier van generaal MacArthur.

As mentioned before, there was a radio communication station at Yuroke, 5 km west of Craigieburn, which is 25 km north of Melbourne. From this station a teleprinter (TELEX) line was made with NEFIS III, 260 Domain Road, South Yarra, Melbourne. Also a teleprinter radio link was made with the American Army Camp and headquarters al Wacol in Brisbane. In Brisbane was also the GHQ of general MacArthur.

By United States Central Intelligence Agency – CIA World FactbookWebpage: https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/geos/as.htmlImage: https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/graphics/maps/large/as-map.gif, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=66476.

Voor communicatie met de door Egerton Mott en Quéré (AIB section A en later NEFIS III) uitgezonden groepjes en geheim agenten bleek het station bij Craigieburn niet geschikt en werd een zend- en ontvangstation opgericht bij het plaatsje Batchelor, 70 km zuid van Darwin. De afstand tot Java was vanuit Batchelor de helft van de afstand tussen Java en Craigieburn. Dat maakte uit, omdat de uitgezonden geheim agenten en groepjes, min of meer draagbare (relatief) laagvermogen zendontvangers bij zich hadden en zich vaak onder een bladerdak van het oerwoud (jungle) bevonden.

For communication with the by Egerton Mott and Quéré (AIB section A and later NEFIS III) send parties and agents, the radio communication station at Craigieburn was not suitable. Therefore at the small town Batchelor 70 km south of Darwin, a radio listening and transmitting station was erected. This station was also called Batchelor and was situated near the airfield Batchelor. There, the distance to the island of Java was about half the distance compared to Craigieburn. This made a significant difference in signal strength. This was needed, because the agents and parties were equipped with more or less portable radio equipment of low transmitting power and were mostly hampered by transmitting from underneath a jungle canopy.

Image by Google Earth, edited by Hugo Ouwerkerk.

Het was toen ook al bekend, dat de jungle grote demping geeft op radiosignalen. Men moest gebruik maken van frequenties, die met een vrij steile opstraalhoek nog voldoende worden gereflecteerd door de ionosfeer. De voortplanting van de radiogolven in het kortegolfgebied verloopt in een zigzagpatroon tussen het aardoppervlak en reflecterende lagen (ionosfeer) in de dampkring. Men maakte dus gebruik van de frequentieband tussen 2 MHz en 8 MHz om met een steile opstraalhoek te kunnen werken.

At that time, it was already known, that the jungle gives significant attenuation on radio signals. Therefore radio frequencies, suitable for high radiation angles had to be used that still were to be sufficiently reflected by the ionosphere. The radio waves on the shortwave band travel in a zig-zag pattern between the reflection points at the ionosphere and on the earth’s surface. They made use  of frequencies between 2 Mc and 8 Mc to allow steep radiation angles.

Here the steep radiation angle, when transmitting from underneath the green canopy of the jungle. Taken from document “Doctrinal Points of Interest Covering Antennas, the Propagation of Radio Waves and High Frequency Radio Technology in the Employment of Communications During Jungle Operations in the Information Age”, a study by Maurício Henrique Costa Dias and Felipe Drumond Moraes for the Brazilian Army.

De gebruikte antennes voor deze geheime missies te voet, onopvallend en eventueel onder een vochtig jungle bladerdak, zullen relatief kort geweest zijn t.o.v. de golflengte van de (lage) zendfrequentie, waardoor het afstralingsrendement ook slecht was.

Echter van grote invloed op de verstaanbaarheid is ook het storingsniveau van atmosferische storing in de tropen. Met de kennis van nu weten we, dat er een compromis gezocht moet worden tussen het effect van de demping door de jungle en de toename van de atmosferische ruis bij het lager worden van de frequentie.

The antennas used on these secret missions on foot, would have been stealthy and of relative short length compared to frequency wave length and therefore quite inefficient, often being under a moist jungle canopy.

Also the level of static noise in the tropics makes the readability of the radio signals difficult. With the knowledge of today, we know that a compromise should be found between the attenuation by the jungle and the rise of static noise at lower frequencies.

From document “Radio Wave Propagation in the Amazon Jungle”.  A Tutorial by Mauro S. Assis of the Brazilian Committee of URSI.

Dat snijpunt (compromis) van de grafieken ligt tussen de 10 en 12 MHz, dus hoger dan de frequenties die men gebruikte. Door het gebruik van lagere frequenties met een vrij hoge opstraalhoek zijn er voor communicatie over grote afstand ook meerdere reflecties tussen aardoppervlak en atmosfeer nodig (hops) met evenzovele keren signaalverlies. Vandaar dus de benodigde grote zendvermogens.

Verder is er nog sprake van een hopafstand, daardoor kan de ontvangst op een bepaalde locatie slecht zijn, terwijl die wat dichterbij of verder weg beter is. Een vast opgesteld radio-ontvangststation kan dus voor een bepaalde verbinding qua propagatie (voortplanting van radiogolven) en afstand net op een ongunstige locatie liggen. De verbindingsomstandigheden waren dus inderdaad moeilijk en aan dit soort propagatieproblemen zullen de moeizame verbindingen met Java te wijten zijn geweest.

This compromise lies at the intersection of the curves between 10 and 12 Mc, which is higher than the frequencies, that were used. Also for radio propagation at the used frequencies with this steep radiation angle, more reflection points between the ionosphere and the earth surface are needed, however each reflection point represents signal loss. So that adds up to the transmitting power needed.

Also the distance between the reflection points leaves a more or less dead area in between. This results in the effect that on a certain location the signal is poor and at another location even further away it is much better. So a fixed radio station can be on a unfavourable location for a random location of a field station. So the radio communication conditions were very challenging and the poor radio signals from Java must have been the result of the here described effects.

A row of 11 North American B-25 Mitchell bombers belonging to No 18 (NEI) Squadron, KNIL Air wing. Photograph of the Australian War Memorial. Accession Number P01818.010.

Het radiocommunicatiestation bij Batchelor was ook in de buurt van het vliegveld waar het Nederlandse 18 squadron gelegerd was. Echter het radiostation werd bemand door marinepersoneel, wat verbleef in tenten. Het was lang niet het enige radiostation of kamp opgezet met tenten. Vanwege de snelle uitbreiding van de geallieerde onderdelen in Australië, werd er veel met tentenkampen gewerkt.

The radio communication station at Batchelor was also near the airfield at which the Dutch 18 squadron was based. However the radio station was manned by Navy personnel, that was housed in tents. This was not the only radio station or camp set-up with tents. Because of the rapid expansion of allied troops and facilities, tents were used a lot.

The radio station at Batchelor was near the airfield. Here Dutch personnel of the 18 Squadron  with North American B-25C Mitchell fighter/bomber no. N5-131 the ‘Pulk’. Photo collection of the  Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no. 2157_039559.

Omdat er vooral moest worden uitgeluisterd, of de uitgezonden agenten en groepjes op de afgesproken datums en tijden in de lucht kwamen en zo niet, of ze dan buiten die afspraken een keer te horen waren, zal Batchelor vooral een luisterstation zijn geweest. Het was ook een soort doorgeefstation (relay station) want gecodeerde berichten werden niet gedecodeerd, maar doorgegeven aan de gegadigden elders in Australië. Dat was ook het meest handig om te doen vanwege de diverse coderingssystemen van de diverse geallieerde partijen.

Because it was most important to hear the parties behind enemy lines, also when they were forced by circumstances to transmit outside mandatory time frames, Batchelor would have been mainly a listening station. But it was also a relay-station, because coded messages were not decoded, but send straight on to recipients throughout Australia. This was the most efficient and secure way of working, due to the various coding systems in use by the various Allied parties.

Coastwatchers / Coastwatchers

Segi Coastwatchers station on the British Solomon Islands. Australian Government Department of Veterans’ Affairs (DVA). https://anzacportal.dva.gov.au/resources/media/image/awm-306814. Photograph source Australian War Memorial. Accention no. 306814.

Verder werd er ook geluisterd naar berichten van de Australische Coastwatchers, die her en der actief waren in Zuidwest Pacific, o.a. langs de noordkust van Australië en op de grotendeels door de Japanners bezette eilanden, vooral op Nieuw Guinea, Timor en de Solomoneilanden. De Australische Marine had reeds voor 1939 deze kustbewakingsdienst opgezet, die ook fungeerde als een soort militaire (stay behind) organisatie.

Deze radiostations gaven Japanse scheeps- en troepenbewegingen door. Tijdens de oorlog kreeg deze organisatie de codenaam Ferdinant, ontleend aan Walt Disneys kinderboek “Ferdinant the bull”. Sommige coastwatchers verplaatsen hun station, wanneer de Japanners te dichtbij kwamen en hadden zo een verplaatsbaar veldstation, soms in samenwerking met de lokale bevolking, zoals dat op de Solomoneilanden het geval was.

They received also messages from the Australian Coastwatchers that were active from various places in the South-East Pacific, such as the north coast of Australia, on New Guinea, Timor and the Solomon islands. The Australian Navy did set-up the Coast Watchers already before 1939 that functioned as a kind of military stay-behind covert organisation.

They had a radio set with which they gave information on the movements of Japanese ships, air and ground forces. During the war, the Coastwatchers got the code name “Ferdinant”, based on Walt Disneys book for children “Ferdinant the bull”. Some Coastwatchers had to move their radio station, when the Japanese came to close and as such used it as a movable field station, sometimes in close cooperation with the local population, as was the case on the Solomon islands.

Image by Google Earth, edited by Hugo Ouwerkerk.

De verovering van Guadalcanal in de Solomon eilandengroep, door de Amerikanen stuitte op grote tegenstand van de Japanners. Er werd niet alleen fel gevochten op het eiland, maar deze actie ontaarde ook in een grote langdurige zeeslag, omdat de Japanse marine het eiland ’s nachts bevoorraadde, beschermd door sterke marine-eenheden.

Ook werd het door de Amerikanen ingenomen vliegveld door de Japanners gebombardeerd en vanuit zee beschoten. Deze telkens in de nacht terugkomende Japanse vloot ging de “Tokyo Express” heten. Zij voeren vanaf hun basis bij Rabaul en Bougainville tussen de Solomon eilanden door. Echter op die eilanden bevonden zich Coastwatchers, die met hun radiosets waarschuwden als de Japanners er aan kwamen. Ook Japanse vliegtuigformaties werden gemeld, waardoor de Amerikanen op tijd hun vliegtuigen in de lucht hadden, op een gunstige hoogte om de aanvallen af te slaan.

The American conquest of the island Guadalcanal, part of the Solomons, encountered heavy  resistance of the Japanese. There was not only fierce fighting on the island itself, but also this American action triggered a prolonged sea battle with the Japanese Navy, which took care of supplying the Japanese ground forces on Guadalcanal at night. The supply ships were protected by strong Navy units. Also the airfield on Guadalcanal, that was soon in American hands was bombed from the air and from the sea by the guns of Japanese warships.

This each night returning Japanese fleet was soon called the “Tokyo Express”. They sailed form the Japanese strongpoints at Rabaul and Bougainville, in between the Solomon islands to Guadalcanal.
However on the Solomon islands were Coastwatchers active. Via their radio sets, they warned the Americans, that the Japanese were coming. Also formations of Japanese planes were reported. These enabled the Americans to have their planes in the air on a suitable altitude to strike at the Japanese formations.

AWA Teleradio 3B Australian Coast Watcher radio-set, with the C6770 Communications Receiver and 3B transmitter with 2 crystal channels and a RF output power of 12W. https://www.qsl.net/vk2dym/radio/3BZa.htm

The later AWA Teleradio 3BZ used the  3BZ transmitter, with 6 crystal channels and a build-in antenna tuner, also producing 12W RF-power. https://www.qsl.net/vk2dym/radio/3BZa.htm

Ook in gebruik als Coastwatchers-set was de AWA FS6, maar hoofdzakelijk voor mobiele kustpatrouilles op het vaste land van Australië, waar uitgestrekte kustgedeelten onbewoond waren en dus Japanse infiltratie zeker tot de mogelijkheden behoorde.

Also in use as a Coastwatchers-set was the AWA FS6, but mainly for mobile coast patrols on the mainland of Australia, where large portions of the coast were uninhabited and Japanese infiltration was possible.

Coast watchers wireless radio, AWA Field Set 6 (FS6) Mk II. 2 – 8 MHz, RF output 2,75 W. On display in the North Queensland Military Museum at Kissing Point in Townsville. Photo: Peter Dunn, https://www.ozatwar.com/sigint/coastwatchers.htm

Radiocommunicatiestations PTT en KNIL-guerrilla / Radio communication stations PTT and KNIL-guerrilla

Behalve naar Java en Celebes waren midden 1942 van Australië uit ook pogingen ondernomen om naast het bestaande contact met de Australische en KNIL-militairen die op Timor de strijd voortzetten, ook contact te leggen met de oostelijkste eilandengroepen in de Grote Oost (eilanden ten oosten van Java).

Op lang niet al die eilanden waren de Japanners komen opdagen. En het zuiden van Nederlands-Nieuw-Guinea, waar posten gevestigd waren in Merauke en in Boven-Digoel, werd door de Japanners ook met rust gelaten. Er bevonden zich in dit gehele gebied verscheidene telegrafie zendontvangststations van de Indische PTT, die na de val van Celebes en Java in verbinding trachtten te komen met Australië.

Infiltration actions were not only undertaken from Australia against the islands of Java and Celebes, but mid-1942,  after contact was made with still active Australian and KNIL troops on Timor, there were also attempts to make contact with the groups of islands, called “de Grote Oost” (Great East, being the islands east of Java).

Not all of these islands got a Japanese occupation. Also on the south coast of New Guinea, that had Dutch settlements in Merauke and Upper-Digul, there were no Japanese troops seen. In this whole area, there were several radio communication stations of the Dutch East Indies PTT. After the occupation of Celebes and Java, they tried to get in contact with Australia.

Image by Google Earth, edited by Hugo Ouwerkerk.

Dat lukte: hun telegrammen, die in open schrift werden uitgezonden, werden door de Australische PTT opgevangen die de Nederlandse autoriteiten waarschuwde. Het betrof hier  radiocommunicatiestations op: het kleine eiland Kisar dat dicht bij Timor ligt, op Jamdena (één van de Tanimbar-eilanden), op Toeal (één van de Kei-eilanden) en vier op Nederlands-Nieuw-Guinea: één in Merauke, één in Boven-Digoel en met KNIL-guerrilla groep de Jong, de bestuursambtenaar dr. J. V. de Bruijn en de commandant van de Veldpolitie van Manokwari, J. P. K. van Eechoud, elders in het binnenland.

Men kreeg van die zenders slechts plaatselijke berichten en ongecodeerd. De vrees bestond, dat die berichten door de Japanners konden worden meegelezen en zij eventueel die stations konden lokaliseren.  Warners liet derhalve aan diegenen die de berichten lieten uitgaan, via de Australische PTT seinen dat zij voorlopig moesten zwijgen maar dat zou worden getracht, hun codes te doen toekomen. Was dat gelukt, dan moesten zij, zo werd hun later meegedeeld, in verbinding treden met Batchelor, waar Egerton Mott inmiddels ook een zender had laten installeren.

They succeeded, their messages send uncoded were received by the Australian Postmaster-General’s Department (PMG), that informed the Dutch authorities in Australia. Heard were PTT stations on Kisar (close to Timor), Jamdena (belonging to the Tanimbar group of islands), Toeal (belonging to the Kei group of islands) en two on Dutch New Guinea, one in Merauke one in Upper-Digul. Also heard were the radio communication stations of the KNIL guerrilla group de Jong,  the civil servant Dr. J. V. de Bruijn and of J. P. K. van Eechoud, commander of the field police at Manokwari.

These stations started to send information, however that was very local information at first, all uncoded. The Dutch intelligence service feared that the Japanese were reading this messages too and would be able to pinpoint the locations of these stations and capture them. Ir. Warners then let the Australian Postmaster-General’s Department (PMG) send the messages to all of these stations to be silent, until they received coding information that would be brought to them. Then they were instructed to contact Batchelor radio station, were Egerton Mott in the meamtime had also a transmitter installed.

Batchelor radio communicatiestation  /  Batchelor radio communication station

Voor de verbindingen met de uitgezonden agenten en groepjes was er dus in Batchelor ook een zender geïnstalleerd. Vanwege de moeizame verbindingen zal dat ook een zender met een (voor die tijd) hoog zendvermogen zijn geweest, dus een AT-13 of een daarvan afgeleide opvolger. Ondanks de primitieve huisvesting van de mensen in tenten, groeide het station tot een heel radiobedrijf, vooral door inschakeling van telegrafisten van de Koninklijke Marine.

Er zijn geen foto’s van de Nederlandse radiocommunicatiestations, de foto’s hieronder geven een impressie. Het radiostation zal waarschijnlijk ook in houten radiohutten zijn ondergebracht, met aparte locaties voor het zendstation en het ontvangststation. Met de antennes daaromheen en de antennedraden op houten palen naar het gebouwtje geleid. Het was toen gebruikelijk in Australie om draadantennes van het type Rhombic te gebruiken voor ontvangst. De tenten werden waarschijnlijk alleen gebruikt voor het huisvesten van het personeel en verdekt tussen de begroeiing opgesteld. Omdat men spreekt van tenten in de jungle, zal er wat meer begroeiing zijn geweest.

So there was now also a radio transmitter installed at Batchelor, to have two way communication with the sent infiltration parties behind enemy lines. In view of the difficult radio propagation conditions this transmitter would have been a high power transmitter, so maybe an AT-13 of one of its successors. Despite the primitive housing in tents, the radio station Batchelor grew into a substantial radio communication service, mainly thanks to the effort of many Dutch Navy radio telegraphists.

Sadly, there are no pictures of the Dutch radio communication stations. The pictures below of another radio receive station and other radio men housed in tents, in Australia might give an impression of the working conditions. It is very likely that the radio station itself was also housed in wooden sheds with separate locations for the receive station and for the transmitting station.

The antenna wires would also be hung on wooden poles and the transmission lines running on wooden poles from the sheds to the antennas. Receive antennas used at that time in Australia were wire antennas of the type Rhombic. Also known was that at Batchelor, being in the tropical part of Australia, the tents stood in the jungle, so the surroundings of the Batchelor radio station would have had more bush than shown on these example pictures.

US ARMY SIGNAL CORPS CAPALABA RADIO RECEIVING SITE AT OLD CLEVELAND ROAD EAST, CAPALABA NEAR BRISBANE. Photo: National Archives and Records Administration. https://www.ozatwar.com/locations/capalabacomms.htm

NO. 1 SPECIAL WIRELESS GROUP (radio interception) ROYAL CANADIAN  CORPS OF SIGNALS (RCCS). Temporary housed  in CHERMSIDE BRISBANE. Photo:- Library and Archives Canada. https://www.ozatwar.com/sigint/1swg.htm

Gedurende maart en in april 1942 hadden enkele van de genoemde radiocommunicatieposten laten weten dat de Nederlandse bestuursambtenaren en andere functionarissen die zich op die geïsoleerde punten bevonden graag de gelegenheid kregen om naar Australië te mogen uitwijken. Dat verlof werd geweigerd, want het hebben van observanten achter de vijandelijke linies werd natuurlijk als zeer waardevol gezien.

Echter het was gevaarlijk om te blijven, de Japanse druk was vaak groot. De bestuursfunctionaris van Kisar, R. O. van den Hout, had ongeveer een jaar lang via zijn PTT-zendontvanger weerberichten naar Batchelor gezonden. Midden 1943 heeft hij gesmeekt hem op te halen. Echter in Australië heeft men daartoe geen kans gezien. Uiteindelijk is Van den Hout door de Japanners gegrepen en terechtgesteld (doodgeschoten of onthoofd).

Alle berichten, veelal gecodeerd, die in Batchelor werden ontvangen, werden doorgezonden naar de NEFIS in Melbourne. Later gingen ook de Amerikaanse en Australische inlichtingendiensten van Batchelor gebruik maken voor de contacten met de door hen uitgezonden groepen. Zij maakten ook gebruik van de Nederlandse marinetelegrafisten, nadat deze waren door de Amerikanen goed waren bevonden.

Onder andere de geheime informatie van de Amerikaanse agenten, commandogroepjes en guerrilla’s in de Filipijnen liep via Batchelor naar MacArthurs hoofdkwartier in Brisbane. Tienduizenden codegroepen werden verwerkt door het station Batchelor. Dit alles onder leiding van de als verbindingsofficier aangewezen ambtenaar van de Indische PTT, de heer Krijgsman.

During March and April of 1942 a few of the civil servants on the isolated outposts had requested by radio for allowance to evacuate to Australia. This allowance was denied because they were seen as very valuable sources of information behind enemy lines.

However, it was very dangerous to stay, because the Japanese pressure was growing, some were hunted by the Japanese or pro Japanese population. Mid- 1943 the civil servant on Kisar island, Mr. R.O. van Hout, after for a year sending messages containing data on the local weather, begged to be picked-up. At that time the  Dutch intelligence service in Australia saw no possibility to do that any time soon. Mr. R. O. van den Hout was captured by the Japanese and executed.

All messages, received by Batchelor were send through to the NEFIS in Melbourne. After some time also the Australian and American intelligences services began to use Batchelor for contact with their parties behind enemy lines. They used also the services of the Dutch Navy telegraphists. The Americans did so, only after testing and approval of the Dutch Navy telegraphists. Among others, the secret information of American agents, commando’s and guerrilla’s on the Philippines went through Batchelor and the Dutch radio link to the GHQ of Mac Arthur in Brisbane. Tens of thousands of code groups were received and note down at Batchelor to resend to the various Allied recipient’s. All under the command of Mr. Krijgsman, former civil servant of the Dutch East Indies PTT and now appointed signals commander of Batchelor radio communication station.

Hierdoor en ook vanwege de verbindingen met Brisbane en Melbourne, vormde het zo ontstane Nederlandse verbindingsnetwerk een groot deel van het verbindingsnetwerk van het AIB. Waarvan druk gebruik gemaakt werd. In dit diagram zien we ook het LMS (Logger Maintenance Station). Hier werden vaartuigen beheerd en onderhouden t.b.v. de geheime operaties.

This development of Batchelor and also by the connections to Brisbane and Melbourne, the Dutch communications network became a significant part of the communications network of the AIB. It became a quite busy network in which also the LMS (Lugger Maintenance Station) was included. At the LMS various motor and sailing vessels were maintained for the covert operations.

Met latere veroveringen door het Amerikaanse offensief werd het Nederlandse verbindingsnetwerk nog uitgebreid met radiocommunicatiestations in Merauke, Hollandia, Biak en Motorai.

As result over later conquests due to the American offensive, the Dutch communications network was extended with forward radio communication stations in Merauke, Hollandia, Biak and Motorai.

Radio-interceptie / Radio interception

Voor de oorlog met Japan had in Nederlands-Indië de Generale Staf in Bandoeng een afdeling inlichtingen. In kamer 14 was het bureau voor crypto-analyse van het KNIL gevestigd, dat nauw samenwerkte met de Dienst voor Aziatische Zaken en de Marine. Dit bureau was sinds 1932 al in staat een groot deel van de Japanse gecodeerde diplomatieke berichten te ontcijferen.

Tussen 1934 en 1937 had men ook informatie weten te vergaren uit de codetelegrammen van de Japanse Marine. Echter na augustus 1937 werd dit veel minder omdat de Japanners toen alles veranderden en men weer opnieuw kon beginnen met puzzelen. Men kwam dit tot de oorlog met Japan niet meer te boven. Wel kon men nog informatie halen uit traffic-analyse en radiopeilingen.

Het militaire berichtenverkeer werd opgevangen door de Marine, die in Batavia een interceptiestation had waarin speciaal getrainde marconisten berichten in code opvingen van de Japanse marine. De door de Japanse marine gebruikte radiofrequenties werden het best ontvangen na zonsondergang. Het diplomatieke berichtenverkeer werd opgevangen door een radio-interceptiestation van de PTT.

In the Dutch East Indies, before the war with Japan, the General Head Quarters in Bandoeng had a department Intelligence. In room 14 was the section crypto analyses of the KNIL that worked closely with the service for Asiatic Affairs of the Dutch Navy. Since 1932, this bureau was able to decode a large portion of the Japanese diplomatic service.

Between 1934 and 1937 the could also retrieve information from the coded messages of the Japanese Navy. However, after August 1937 this became a lot less, since the Japanese changed all of their codes. They had to start the puzzle all over again and they did not recover before Japan started the war. Still they got some information out of traffic analysis and radio direction finding.

The military communication was intercepted by the Dutch Navy that had a radio intercept station at Batavia. Specially trained telegraphists received and noted down the coded messages of the Japanese Navy. The by the Japanese used radio frequencies were received best after sunset. The diplomatic messages were received by a radio intercept station of the Dutch East Indies PTT.

Hoofdbureau van de Scheepvaart (Departement van de Marine) te Batavia. Fotocollectie Universiteit van Leiden. Album van C.H. de Goeje. Shelfmark KITLV 94590.

In boeken van Nigel West en Alan Stripp wordt gesuggereerd, dat één van deze geheime radio-interceptiestations werd geëvacueerd naar Australië, naar een locatie in de buurt van Darwin.
Echter er is vooralsnog in geen Nederlands boek of document sprake van interceptie van Japans militair radioverkeer door Nederlandse radio-ontvangststations in Australië. Dus hoewel de Nederlandse Marine en PTT in Nederlands-Indië veel ervaring hadden opgedaan in radio-interceptie en radiopeilingen, moeten we aannemen, dat Batchelor geen radio-interceptiestation was. Wel zeker is, dat de Amerikanen en Australiërs militaire radio-interceptiestations en peilstations in Australië hadden.

In the books od Alan Stripp and Nigel West is suggested, that one of these secret intercept stations was evacuated to Australia to a location near Darwin. However in no Dutch book or document is any mentioning of radio interception by Dutch receive stations in Australia. The only Dutch station near Darwin was Batchelor. Although the Dutch Navy and Dutch East Indies PTT had a lot of experience in radio interception, direction finding and triangulation, we have to assume that Batchelor was not a radio intercept station. Sure the Americans and Australians had radio interception and direction finding stations in Australia.

Beluisteren omroep-radio-uitzendingen / Monitoring of radio broadcast stations

Vanaf maart 1942 wist niemand meer van Java te ontsnappen, wat daar gebeurde en wat daar aan maatregelen werd genomen (maatregelen waarmee elke geheime agent rekening zou moeten houden), kon slechts worden afgeleid uit de door de Japanse omroepstations in Batavia en Tokio uitgezonden berichten. De Australiërs hadden daar een ontvangststation voor, waaraan personen verbonden waren die het Japans meester waren. Hieraan werden personen die Nederlandse of Maleise teksten konden uitwerken toegevoegd.

Er werd aanvankelijk niet veel opgevangen. Bijvoorbeeld het overzicht van de luisterrapporten 10 tot 14 april 1942 vermeldt: “De berichten die ons in deze periode over Nederlands-Indië bereikt hebben zijn schaars. De Japanners gaan voort met de bezetting van de eilanden, o.a. Billiton (10 april). De tegenstand op Sumatra schijnt geëindigd te zijn; op Java duurt hij echter nog voort”.

De ontvangst bleek in  april en mei 1942 in Australië zo slecht te zijn, dat hetgeen in deze uitzendingen werd vermeld, nauwelijks kon worden gevolgd. Het opvangen vond toen plaats in Melbourne. Dat was het werk van de Australian Broadcasting Corporation en geschiedde, voorzover het Nederlands-Indië betrof, in samenwerking met de Monitoring Service, zijnde de Luisterdienst van de NIGIS. Deze luisterdienst was ook geen radio-interceptiestation, maar een monitoringdienst die luisterde naar omroepstations.

De NIGIS rapporteerde midden juli 1942: “het blijft met de ontvangst van de voor ons zo belangrijke zender Batavia treurig gesteld. Ten gevolge van atmosferische storingen ontgingen ons enige door de Japanners in Indië uitgevaardigde verordeningen geheel. Van andere werden slechts brokstukken ontvangen”. De ontvangst bleef slecht, midden oktober 1942 bijvoorbeeld was van de uitzendingen van de zender Batavia “86% in het geheel niet verstaanbaar”.

Van april 1943 af verbeterde de situatie doordat de Australian Broadcasting Corporation toen op aandrang van de Indische Commissie een luisterpost geplaatst had in Broome, dichter bij Java dus, die de door de zender in Bandoeng gerelayeerde uitzendingen van Radio Djakarta redelijk goed opving. Behalve de Japanse zenders op Java werden ook Japanse zenders elders beluisterd.

As of March 1942 there were no further  escapees from the island of Java, so what was happening there, what measures the Japanese had taken to control the Indies population, completely was unknown. This were things that an infiltrator needed to know, to survive in occupied area.

The only information came from the listening reports made up by listening to the Japanese broadcast stations radio Batavia and radio Tokyo. The Australians had a receive station for this purpose with people that knew the Japanese language. Dutch personnel was added that could work out Dutch and Malaysian text.

At first they did not receive much information. The overview of the listening reports from 10 to 14 April 1942 say’s: “The information that we received about the Dutch East Indies is scarce. However the y indicate, that the Japanese are progressing there occupation of the islands, such as Billiton at the 10th of April. The fighting on Sumatra seems to have seized, however on Java it is still ongoing”.

In April 1942 the radio propagation and receiving conditions in Australia for broadcast stations on the island of Java were so poor, that they could hardly follow anything that was said. The receiving station of the Australian Broadcasting Corporation was in Melbourne and cooperated with the Monitoring Service, being the listening section of the NIGIS. This was not an interception service, they were listening to broadcast stations only.

In July 1942 the NIGIS reported: “The receiving of the for us important broadcast station at Batavia still continues to be very poor. As result of the atmospheric noise, many of the by the Japanese issued directives for the Dutch East Indies could were not understandable at all and from others just some fragments were received”. In October 1942 they reported that 86% of the transmissions of Radio Batavia were not readable.

In April 1942 there was finally some improvement. The Indies Committee had urged Australian Broadcasting Corporation to erect a receiving station at Broome, that was closer to Java. This station was erected and did receive the relay station at Bandoeng of Radio Batavia (now called Radio Djakarta) quite well. Furthermore they listened also to other Japanese broadcast stations.

Apparatuur zend- en ontvangstations / The equipment of the radio communication stations

Hoewel de Marine (schijnbaar met een vooruitziende blik) van te voren de zendapparatuur van het radiostation Manggarai had veiliggesteld voor gebruik op Ceylon, is het vanwege de snelle landing op Java en de eveneens snelle opmars van de Japanse troepen, aannemelijk dat men evenals de andere personen en diensten zonder apparatuur, per vliegtuig in Australië aankwam. Hierover wordt in de geraadpleegde boeken en documenten verder geen uitsluitsel gegeven.

Wat men in de interceptiestations in Nederlands Indië aan apparatuur gebruikte is niet bekend en ook is niet bekend, wat men in de Nederlandse radiostations in Australië gebruikte. Omdat men in Australië aangekomen snel apparatuur nodig had, ligt het voor de hand, dat men in Australië apparatuur leende of aanschafte. In Australie waren verschillende bedrijven, die radio apparatuur produceerden voor de militaire- en civiele sector.

Al eerder is vermeld welk zenders en ontvangers eventueel in aanmerking konden komen voor het zend- en ontvangstation bij Craigieburn. Voor het station Batchelor geldt hetzelfde, echter voor Batchelor waren vooral ontvangers nodig. In Australië werden diverse “general coverage” communicatie-ontvangers gemaakt, die (voornamelijk) voor een luisterstation in aanmerking konden komen. Deze worden hieronder besproken:

Although the Dutch Navy was showing some foresight, by saving the transmitters of radio station Manggarai for use at Ceylon, it is not very likely, because of the rapid advance of the Japanese, that the Dutch telegraphists and other signals personnel arrived in Australia with their equipment. In the books and documents nothing is mentioned on this equipment.

The equipment used by the Dutch in the Dutch East Indies is not known and also not the equipment that was used in the Dutch radio communication stations in Australia. When they arrived in Australia, they needed radio equipment quickly, so the most plausible is, that they lent or bought Australian equipment. In Australia there were several companies that produced radio equipment for the army and public services.

Before was mentioned which equipment would be likely to be used for the radio communication station at Craigieburn. For Batchelor applies the same, however for Batchelor mainly receivers were needed. In Australia several receivers were made, that were suitable for a military receiving station.
These are discussed below:

De AWA (Amalgamated Wireless Australasia Ltd) C6770 that was used by the “Coastwatchers” as a part of the 3BZ Teleradio Transmitter set, a basic radio transmitting and receive set, existing out of separate transmitter, receiver and power supply equipment as was the usual set-up those days. De receiver was a simple but handy design type super heterodyne receiver with 5 tubes and a frequency range 200 kc – 30 Mc, designed in 1940. https://vk2bv.org/archive/museum/c6770.htm.

The Philips Australia RS4 (Reception Set No. 4), designed for radio interception work and general communication. Type superheterodyne with 6 tubes. Receiving range 1.2 – 20.0 Mc. Designed in 1943.https://vk2bv.org/archive/museum/rs4.htm.

Omdat de AWA C6770 waarschijnlijk te eenvoudig gevonden werd voor militair radiowerk en de daarvoor ontworpen Philips RS4 pas in 1943 beschikbaar kwam zullen ook in het radiostation bij Batchelor de Kingsley AR7 ontvangers gebruikt zijn. Een aanwijzing daarvoor is de hieronder afgebeelde AR7 gefabriceerd door Philips Australia, voorzien van tekstplaten in de Nederlandse taal.

The AWA C6770 was probably found to simple for a military receive station and the Philips RS4, which was designed for that work came later in 1943. Therefore it is more likely that for the receive station at Batchelor the Kingsley AR7 receivers were used. An indication, that this assumption is correct, are the Kingsley AR7 receivers made by Philips Australia, with Dutch text at the controls on the front. See the picture below.

AR-7 receiver, fabricated by Philips Australia. Superhet with RF-stage; ZF/IF 455 kHz; 2 AF stage(s). Range 140 kc to 25 Mc. Based on the HRO 5 design. http://www.tuberadio.com/robinson/Australian_radios/AR7_Dutch.jpg.

Draagbare apparatuur / Portable equipment

Voor de uitgezonden agenten, infiltratie- en commandogroepjes had men draagbare apparatuur nodig. Draagbare apparatuur was met de techniek van die tijd moeilijk te maken, het werd al snel te zwaar. Een zender of ontvanger woog tussen 20 kg en 50 kg en een gecombineerd apparaat woog al snel meer dan ca. 30 kg zonder de voeding bestaande uit roterende omvormers en accu’s of een aggregaat.

Het zendvermogen van de draagbare apparatuur, toen in gebruik, bedroeg over het algemeen minder dan 1 Watt. Terwijl de te overbruggen afstanden naar- en binnen Nederlands-Indië gigantisch waren en daar moet dan nog de eventuele demping van de jungle en het tropische storingsniveau worden bijgerekend.

Ir. C. J. Warners, hoofd Technische Dienst en Telefoonexploitatie der PTT in Nederlands-Indië , had kort voor de val van Nederlands-Indië  één van zijn medewerkers, ir. J. Jansen, opdracht gegeven om bruikbare zenders voor eventueel geheim radiocontact te construeren.  Deze had een prototype mee kunnen nemen naar Australië (type I). In Melbourne had hij dit verder ontwikkeld tot een apparaat waarmee men over lange afstand kon ontvangen en zenden in streken waar geen elektriciteit was.

For the deployed agents, infiltrators and commando raids there was portable equipment needed. Portable equipment was with the techniques of those day’s difficult to make, it became too heavy. A transmitter or receivers weighed between 20 kg and 50 kg each. A combination of those weighed at least 30 kg, without the power supply, which existed out of rotating converters and batteries, or a petrol generator.

The transmitting power of the portable equipment then available was less than 1 Watt. However the distances that needed to be covered to, as well as inside the area of the Dutch East Indies, were gigantic. And adding to the challenge were the eventual attenuation of the jungle and the static noise level in the tropics.

Ir. Warners, then head of the technical service of the Dutch East Indies PTT, had shortly before the capitulation of Java, given the order to his associate ir. Jansen, to design and construct a radio set for covert work behind enemy lines. Ir. Jansen was appointed to evacuate to Australia and managed to take a prototype (type I) with him. In Melbourne he developed this set further as a radio set that had the capability to communicate over long distances and could also be used in areas without electricity.

NEI-set type II transmitter-unit. Frequency coverage 4-15 MHz, RF power 30W, CW only. Picture from the book Wireless for the Warrior volume 4, by Louis Meulstee PA0PCR, http://www.wftw.nl/

In deel 11c van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945 van Dr. L. de Jong wordt gemeld: “Dat apparaat, de z.g. NEI-set, had één groot nadeel: het was verdeeld over drie metalen kisten en woog totaal ca. 70 kg. Het kon dus slechts met moeite verplaatst worden. Bruikbaar was het eigenlijk alleen dan, wanneer de geheime agent er met zijn helpers in was geslaagd, ergens een vaste zendpost in te richten”.

In part 11c of the series of books The Netherlands in the Second World War 1939-1945 of Dr. L. de Jong is mentioned “this equipment, the so called NEI-set, had one big disadvantage; it was divided over three metal chests, weighing together 70 kg (±154 lbs). It took a lot of effort to move the equipment. Actually an agent needed help to move it and it could only be used if the agent managed to established a secure base”.

NEI-set type III receiver-unit. Frequency coverage 1.5 to 20 MHz in 4 bands. Picture from the book Wireless for the Warrior volume 4, by Louis Meulstee PA0PCR, http://www.wftw.nl/

De NEI-sets werden gevoed uit 3 accu’s 12V, 25 Ah, 1x voor de ontvanger en 2x parallelgeschakeld voor de zender. Bij de NEI-set type II werden de accu’s geladen door een benzine-aggregaatje.
De NEI-set type III had een acculader maar kon in plaats van de accu’s ook rechtstreeks op een trapgenerator werken. Bij de set hoorden ook kristallen, een morsesleutel, hoofdtelefoon, een antenne, deelbaar in secties d.m.v. isolatoren, verder antennemateriaal en gereedschap.

The power supply of the NEI-sets consisted of three wet batteries of 12V, 25 Ah, one 1 for the receiver and 2 in parallel for the transmitter. With NEI-set type II, the batteries could be charged by a small petrol generator. The NEI-set type III had a battery charger, but instead of the batteries is could also work directly on a pedal generator. To the set belonged also separate crystals, a Morse key, a headset and an antenna, that was dividable in sections by means of isolators, further more antenna materials and a set of tools.

Picture of the front of a NEI-set type III receiver still in existence. Picture of Louis Meulstee PA0PCR, http://www.wftw.nl/

Hoeveel van die NEI-sets door naar Nederlands-Indië vertrekkende geheime agenten meegenomen zijn, is onbekend. Wel is bekend dat er in totaal ca. 120 zijn gebouwd, dat de Amerikanen over deze sets tevreden waren en dat vele ervan met succes door Amerikaanse commandogroepjes en guerrilla’s op de Filippijnen zijn gebruikt.

De Amerikanen houden altijd wel van groot, zwaar en de luxe van meer power. Maar die power was hier dus wel noodzakelijk en de activiteiten van de Amerikanen in de Filipijnen lagen meer op het gebied van commando-achtige- en guerrilla-activiteiten, waarvoor waarschijnlijk met grotere groepen werd gewerkt dan bij de NEFIS-parties en dan was het gewicht van totaal 70 kg in 3 pakketten geen probleem.

Verder volgens bovengenoemd boek van Dr. L. de Jong: “maar behalve die set was er ook een Australisch zendapparaat dat gebruik maakte van droge batterijen. Dat Australische apparaat was veel lichter dan de NEI-set: het woog ca. 30 kg, welk gewicht over twee draagtassen verdeeld was”. “Dit apparaat had ook zo zijn beperkingen; een set droge batterijen ging maar ongeveer een maand mee”. Dit was natuurlijk afhankelijk van de intensiteit  van de verbindingen, die uiteraard een zo laag mogelijke intensiteit hadden.

Het zendvermogen van die Australische radioset was ca. 5 W, dus ook veel lager dan de  30 W bij de NEI-set. Aan het ophangen van de antenne moest dan ook de nodige aandacht worden besteed om een zo goed mogelijk rendement te bereiken. In de beschrijving van de NEI-set type III wordt zelfs een zendvermogen van 50W genoemd.

De NEI set type II met een zendvermogen van 30W was toen een unicum. De Australiërs, Engelsen en Amerikanen hadden toen niet een dergelijke te voet transportabele radio-set geschikt voor radiocommunicatie over lange afstanden. De echt als draagbaar bedoelde apparatuur had een veel lager zendvermogen van over het algemeen minder dan 1 Watt en waren bedoeld, voor communicatie over korte afstand tussen kleine militaire eenheden, die tijdens een offensief in een beperkt gebied gezamenlijk tegen een vijand optrokken.

De bedoelde Australische set was de ATR4A en was inderdaad een buitenbeentje, want hoewel het één van de kleinste draagbare radio-sets was, had dit Australisch ontwerp een relatief hoog zendvermogen van ca. 5 Watt. De ATR4A  en de ATR4B waren gelijk, echter B-uitvoering had een andere serie kristallen en was “tropicalized”, ofwel tegen indringing van vocht behandeld met schellak. Waardoor deze uitvoering dus meer geschikt was voor gebruik in de jungle.

How many NEI-sets were used by agents and parties inserted in the Dutch East Indies is unknown. According the book of Dr. L. de Jong there were 120 pc of NEI-sets build. Also is known that the Americans liked the sets and used many of them with success for their infiltration and commando parties as well as guerrilla on the Philippines.

The Americans always, like bigger heavier and more power, but in this case the more power feature, was not a luxury, but a necessity. Also the activities of the Americans in the Philippine’s, were more in commando raid and guerrilla stile, involving larger groups, compared to the NEFIS parties. So it was less of a problem to carry equipment with a weight of 70 kg divided over three chests.

Returning to the book of Dr. L. de Jong, the following is mentioned: “next to the NEI-set there was also Australian equipment, using dry batteries, that had less weight that the NEI-set. It weighed 30 kg total divided over two carrying bags. However this equipment had the disadvantage, that the dry batteries lasted for only one month”. This was of course mainly dependent on the intensity of transmissions, which of course would have the lowest intensity possible.

Also the transmitting power of this Australian set was about 5W, much lower than the NEI-set type II. Therefore extra care had to be taken, to position the antenna such that the maximum obtainable antenna efficiently was achieved. According to the manual of the NEI-set type III the transmitting power a this set is even 50W.

The transmitting power of 30 Watt of the NEI-set II was at that time already unique. The Australians, British and Americans did not have such a radio set, on foot transportable and capable of long distance communication. Their wireless sets meant for portable use had a transmitting power less than 1 Watt and this equipment was meant for communication over short distances, for small army units that were advancing during an offensive in a limited area of operation.

The Australian set used by the NEFIS was the ATR4A and was indeed an odd one compared to the British and American portable radio sets. This because it was very small, but still had a transmitting power of about 5 Watt. There was also an ATR4B, that was similar to the ATR4A, but had a different series of crystals and was tropicalized, meaning that inside the electronic components were lacquered against the ingress of moisture, making it more suitable for use in the jungle.

ATR4B wireless set with a speaker in the cover. https://www.qsl.net/vk2dym/radio/ATR4.htm.

ATR4 is de codering volgens de Royal Australian Air Force (RAAF) de landmachtuitvoering was type WS-113. Het ontvangstbereik was verdeeld in twee banden: 3 – 4.8 MHz en 4.5 – 7 MHz. Voor zenden kon in elke band 1 vaste zendfrequentie, middels een kristal worden ingesteld. De modulatie was morse (CW) of spraak (SSB). Het zendvermogen was ca. 5W.

De set werd uit droge batterijen gevoed en het geheel was verdeeld over twee canvaszakken; de zak met de set woog bijna 9 kg en de zak met de accu en kabels woog 1,6 kg volgens informatie op internet. Dit laatste is wel erg weinig, misschien moet het 16 kg zijn. In de boeken van J.J. Nortier en Dr. L. de Jong over een totaal gewicht van 30 kg gesproken.
Het kan zijn, dat voor de Nederlandse parties andere toebehoren werden gebruikt, bijvoorbeeld meerdere droge accu’s en een meer efficiënte (grotere) antenne.

Het frequentiebereik voldoet aan wat men toen dacht, dat geschikt zou zijn voor gebruik in de tropen, echter dit frequentiebereik is weer minder geschikt voor het overbruggen van de grote afstand. In het boek van J.J. Nortier, “Acties in de archipel” wordt deze set ook meermalen genoemd als de set, die door de NEFIS III parties werd gebruikt, vaak in combinatie met de NEI-set. Dat terwijl de “tropicalizes” ATR4B meer geschikt was voor het werk in de tropen.

ATR4 is the type code according the Royal Australian Air Force (RAAF), the army coding was WS-113. The receiving range was divided in two bands 3 – 4.8 Mc and 4.5 – 7 Mc. For transmitting one frequency in each band could be selected, by means of inserting a crystal. The modulation was CW, but also even phone (speech in Single Side Band (SSB)). The transmitting power was 5 Watt, so for that time it was a small but very capable and versatile radio set.

The ATR4 power supply came from dry batteries and the equipment was divided over two canvas bags, so called “haversacks”. The one with the set weighed 9 kg and the one with the battery and cables weighed 1,6 kg, according to information on the internet. This last figure seems to low, maybe it should be 16 kg. The total does not compare with the 30 kg, mentioned in the books of J.J. Nortier and Dr. L de Jong. Maybe the NEFIS parties used other auxiliaries with the set, such more batteries and a more efficient (larger) antenna.

The frequency range complies with the thoughts at the time, on what would be suitable in the tropics. However these frequencies are less suitable for covering the large distances. In the book of J.J. Nortier “Actions in the Archipel”, the ATR4A is mentioned several times, as the radio set being used by the NEFIS III parties, many times in combination with the NEI-set. The ATR4B is not mentioned despite this tropicalized set was more suitable for the sea climate and the jungle.

Encryptie / Encryption

Uiteraard werden de berichten welke door radiotelegrafie tussen Batchelor en de uitgezonden parties werden verstuurd alle gecodeerd. Dat betekent niet de voor die tijd bij telegrafie gebruikte Morsecode, hier doelen we op encryptie van de tekst voordat deze werd verzonden. Men gebruikte twee typen codes; de xx-code en de tactische code. De xx-code was een zogenaamde “one time pad” (OTP) code, dit was een zo goed als ontbreekbare vorm van coderen. De code werkte met een 5-cijferige sleutel en een pocketboek.

De door de verzender gekozen bladzijde en regel uit het pocketboek leverde ook een 5-cijfer combinatie op. Deze werden volgens een afspraak met elkaar verrekend en leverden de eerste groep van het gecodeerde bericht (initialisatie en verificatie). De letters van de te coderen tekst werden weer volgens een afspraak met de gekozen letters uit het pocketboek omgezet in de codetekst.

Dit alles kostte natuurlijk wel tijd. Indien men die tijd niet had, dan gebruikte men voor snelle korte berichten de tactische code. Deze bestond uit een serie standaard uitdrukkingen, die elk een cijfer/lettercombinatie hadden. Per dag van de maand was er een andere cijfer/lettercombinatie voor elke uitdrukking.

Of course the messages being send and received between Batchelor and the parties in the field, were all in code. This means not only the normal way of telegraphy at that time in Morse code, but it means that the text to be send was encrypted before sending in Morse code. They used two types of codes; the xx-code and the Tactical code. The xx-code was a so called “one time pad”(OTP) code, this was a more or less unbreakable way of coding. This code worked with a 5-digit key and a pocket book.

The by the sender chosen page and line gave also a 5-digit key. These were than in a mutual agreed manner processed against each other and formed the first group of the coded message (initialisation and verification). De message text to be coded was then also according an agreed manner coded by using letters from the pocketbook. This took some time. In case there was no time then they used for quick and short messages the Tactical Code. This code existed of a series of standard expressions that had a number-letter combination. For each day of the month this combination was different.

Example of code groups. Door Arnold Reinhold – Eigen werk, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=240956.

Propaganda via radio-omroepuitzendingen / Propaganda radio broadcasts

Zoals eerder vermeld, had de NIGIS afdelingen voor het samenstellen van radioprogramma’s die naar Nederlands-Indië moesten worden uitgezonden. Die propaganda-uitzendingen werden vanuit Amerika via Radio San Francisco uitgezonden.

As mentioned before, the NIGIS had sections that compiled programs to be radio broadcasted to the Dutch East Indies. These propaganda programmes were broadcasted from America by Radio San Francisco.

The antenna array for KWID and KWIX near San Francisco at the end of the war. http://www.theradiohistorian.org/kwix-ant.htm.

Radio San Francisco verzorgde meerdere rechtstreekse uitzendingen naar Japan en de door Japan bezette gebieden. Die zender bracht van april 1942 af een voor Nederlands-Indië bestemd programma in de lucht, dat een half uur duurde: een kwartier nieuws, vijf minuten muziek, een vijf-minuten toespraak in het Indonesisch en een vijf-minuten toelichting daarop in het Nederlands.

Radio San Francisco took care of several programs directly broadcasted towards Japan and the by Japan occupied areas. From April 1942 it put on the air a for the Dutch East Indies meant program, lasting half an hour, containing 15 minutes news, 5 minutes music, a 5 minutes speech in the Indonesian language and 5 minutes of explanation in Dutch.


Het verzet in Nederlands-Indië /  Resistance in the Dutch East Indies

Guerrilla / Guerrilla

Door de snelle opmars van de Japanners lukte het niet om met grote legereenheden tot guerrilla-acties over te gaan. Ook mede, omdat er uiteindelijk een volledige on-conditionele overgave was, hoewel er eerder order gegeven was om, indien mogelijk tot een guerrilla-oorlog  over te gaan. Dit werd door sommige commandanten wel gepoogd, maar werd al snel in de kiem gesmoord, mede doordat bijna alle inheemse soldaten deserteerden en er van de inheemse bevolking ook geen steun viel te verwachten. Kleinere KNIL-groepen en Australische militairen wisten zich nog enige tijd in het oerwoud te handhaven.

Hier volgt een korte beschrijving per eiland.

Due to the fast advance of the Japanese forces, the larger Dutch forces got no chance to start guerrilla warfare. Also there was a fully unconditional surrender, despite the fact that beforehand the order was given for guerrilla warfare. Some commanders tried to do so anyway but were soon checked by the Japanese forces. Also the attempt was hampered by the desertion of most of the native soldiers and there was no hope for support of the native inhabitants. However small Dutch KNIL-units and Australian troops went into the jungle and managed to stay out of the hands of the Japanese for some time.

Here follows a short description per island:

Celebes:

Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication.

Hier wisten de luitenants W. H. J. E.van Daalen en J. A. de Jong zich met enkele tientallen onderofficieren en ruim honderd manschappen van het KNIL, met hun vrouwen en kinderen te handhaven in het oerwoud van midden-Celebes tussen Posso en Kolonodale. Met de zendontvanger van het Binnenlands Bestuur in Kolonodale wisten zij in juni in contact te komen met de Nederlandse autoriteiten in Australië. Men vroeg om wapens, ammunitie en voedsel. Er werd geantwoord met een boodschap in het programma van Radio San Fransisco.

Er werd aangeraden niet te zenden, om hun positie niet te verraden, maar voortaan naar radio San Fransisco te blijven luisteren. Enkele dagen later landden de Japanners bij Kolonodale en werd de zendontvanger vernield. De in juli door een B-24 afgeworpen pakketten voor de groep vielen in handen van de Japanners. Eind augustus 1942 hadden de Japanners iedereen te pakken gekregen op een sergeant na, die de oorlog overleefde. Alle gepakte officieren en een inheems kamponghoofd werden onthoofd.

In Minahassa is door ca. 20 KNIL-militairen korte tijd guerrilla gevoerd, zij zijn alle doodgeschoten.

Here Lieutenants W. H. J. E.van Daalen en J. A. de Jong, with 10 officers and 100 soldiers of the KNIL with their wives and children went into the jungle on the middle part of the island Celebes, between Posso and Kolonodale. With the radio send and receive installation of the domestic administration in Kolonodale, they managed to contact the Dutch authorities in Australia. They asked for weapons, ammunition and food. They were answered with a message in the regular program for the Dutch East Indies on Radio San Francisco.

They were advised not to transmit, in order not to give away their position to the Japanese, instead they should monitor Radio San Francisco. After a few days the Japanese landed at Kolonodale and the radio send and receive installation was demolished. In July 1942 a B-24 bomber dropped the supplies asked for, but these fell into the hands of the Japanese. By the end of August 1942 the Japanese had caught them all, except for one sergeant that survived the war. All officers and a native village chief were beheaded.

In Minahassa, about 20 KNIL-soldiers started a guerrilla, but soon they were all killed.

Borneo:

Kleine KNIL-guerrillagroepen werden alle voor midden 1942 door de Japanners opgespoord en afgemaakt.

Small KNIL guerrilla groups were all tracked down by the Japanese and killed before mid 1942.

Timor:

Op Timor lukte het Australische en KNIL-troepen om langdurig guerrilla te voeren en nadat men met een zelfgemaakte zender contact kreeg met Australië, werd men van daaruit gesteund. Hierover later meer.

On Timor Australian and Dutch KNIL forces managed a prolonged guerrilla warfare against the Japanese. And after they had made contact with Australia , using a transceiver made by themselves, they got the support they needed. Later more on this subject.

Java:

Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication.

Hier konden ca. 70 Australische pioniers zich op west-Java handhaven met hulp van de Engelse inlichtingenofficier Lieutenant-Colonel Laurens van der Post (Zuid-Afrikaan) en de Zwitserse geoloog Paul Vogt. Van der Post had ook een radiozendontvanger bij zich en probeerde in contact te komen met Ceylon, maar dat lukte niet. En 2 augustus 1942 waren zij allen door de Japanners opgepakt. De Japanners brachten hen om het leven door ze in bamboe manden te stoppen, die met een schip naar zee werden gebracht om hen vervolgens op zee te dumpen.

Verder was ook in west-Java nog een groep van ca. 50 Australiërs actief op de hellingen van de Salak zuid van Buitenzorg, hiervan werden de laatsten door de Japanners opgepakt in januari 1943.

Op midden-Java in de bergen bij Gombong was er een groep Ambonese KNIL-militairen actief, echter zij werden in februari 1943 gepakt en de leider onthoofd.

Here about 70 man of a Australian military engineers force stayed out of the hands of the Japanese with the help of the British Intelligence Officer Lieutenant-Colonel Laurens van der Post (South-African of birth) and the Swiss geologist Paul Vogt. Van der Post had taken a radio transmitter-receiver with him and he tried to contact the British at Ceylon, but he did not succeed. The 2nd of August all were caught by the Japanese. The Japanese killed them all by means of putting the in bamboo baskets, ship them out to sea and dump them in the sea.

There was also a group of about 50 Australian troops active on the slopes of mount Salak, south of the area Buitenzorg. Of those, the last were caught by the Japanese in January 1943.

On the middle of Java in the mountains of Gombong, there was a group of Ambonese KNIL soldiers active. However they were caught by the Japanese in February 1943 and their commander was beheaded.

Sumatra:

Hier probeerden KNIL-groepen tot guerrilla over te gaan. De meesten moesten dit al binnen een maand opgeven. Echter de groep van Luitenant van Zanten wist met meer dan zeventig man tot februari 1943 uit handen van de Japanners te blijven. Zij hielden zich op de hoogte van het oorlogsverloop via de omroepzenders BBC en Radio San Francisco.

Here also KNIL-troops tried to start guerrilla warfare, but most had to give-up this attempt within a month. However one group under the command of Lieutenant van Zanten, existing out of 70 men, managed to stay out of the hands of the Japanese until February 1943. They kept themselves up to date with the progress of the war, by listening to the broadcast stations BBC and Radio San Francisco.

Nieuw-Guinea:

Hier wisten drie groepen uit handen van de Japanners te blijven , hierover later meer.

Here three groups stayed out of the hands of the Japanese. More on this subject later on.

Verzet / Resistance

Java:

Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedicatio

Op Java waren meer dan 18 verzetsgroepen actief en vele verzamelden militaire gegevens en hielden onderling contact, waardoor er een inlichtingennetwerk ontstond. Men deed verwoede pogingen om die gegevens aan de geallieerde te doen toekomen, met gebruik van zendontvangers en men waagde zelfs tweemaal een poging om die gegevens per prauw naar Australië te brengen.

Op de zendontvangers wordt nog teruggekomen. De pogingen per prauw mislukten, want men werd al snel aangehouden door de Japanse marine. De meesten groepen werden vrij snel verraden en opgerold door de Japanse militaire politie, de gevreesde Kenpeitai. En na februari 1943 waren er nog maar enkele over. Van de opgepakte personen werd een aantal doodgemarteld en velen onthoofd.

One of the resistance groups was formed out of the former air protection group. Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Objectnummer 2155_083024.

On the island of Java were more than 18 resistance groups active, of which many collected military information. The also came in contact with each other creating an intelligence network. They also tried hard to get the intelligence to the Allies, by using radio and there were also two attempts to bring the intelligence to Australia, by sailing there by means of a Indigenous proa.

On the attempts by radio we come back later. The attempts by proa did not succeed, because they were soon captured at sea by the Japanese Navy. Most of the resistance groups were betrayed soon and arrested by the Japanese Military Police, the feared Kenpeitai. After February 1943, there were just a few resistance groups remaining. Of the arrested persons a number died as a result of torture and many were beheaded.

Sumatra:

Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication.

Op Sumatra waren meer dan 6 verzetsgroepen en hier was ook onderling contact tussen de groepen.
Deze werden door verraad en in een enkel geval onvoorzichtigheid voor eind 1943 zo goed als geheel opgerold door de Kenpeitai. Van de opgepakte personen werd een aantal doodgemarteld en velen onthoofd.

On Sumatra were more than 6 resistance organisations, and they also came in contact with each other. Most of these groups were betrayed and some were caught being careless. Before the end of 1943 almost all were captured by the Kenpeitai. Of the captured persons a number died as a result of torture and many were beheaded.

Borneo:

In Borneo was sprake van ongehoorzaamheid onder de bevolking en was er een kleine opstand van Chinezen. Zij en enkele duizenden onschuldige mensen zijn door de Japanners opgepakt, uit achterdocht. De meesten werden zonder meer vermoord.

In Borneo the population was disobedient to the Japanese and there was also a small uprising by the Chinese. They and also some thousands of innocent people were arrested by the Japanese out of extreme superstition. Most were killed without any judicial process.

Celebes:

Hier was illegale activiteit van ex-KNIL-soldaten, welke zijn gepakt en er werden 10 doodvonnissen voltrokken. Later werden nog 6 personen wegen verzetsdaden terechtgesteld, waarvan 2 onthoofd werden. Verder bezweek er nog 1 persoon in de gevangenis.

Here there was some illegal activity of ex-KNIL soldiers, which were caught. Ten dead sentences were carried out. Later another 6 persons were put to military justice, of which two were beheaded and one perished in captivity.

Ambon:

Group photo of Ambonese people with their music instruments. Ollection of the “Tropenmuseum” TM nr 10000859.jpg, via https://commons.wikimedia.org/wiki/File:COLLECTIE_TROPENMUSEUM_Groepsportret_van_Ambonezen_met_muziekinstrumenten_TMnr_10000859.jpg.

Op Ambon bleef de bevolking over het algemeen trouw aan de koningin en was dus ongehoorzaam. Velen werden gearresteerd en om het leven gebracht, omdat zij foto’s van het koningshuis of een Nederlandse vlag in bezit hadden. Er gingen groepjes gewapende ex-KNIL-militairen rondzwerven. Het kostte de Japanners moeite om ze uit te schakelen.

Tussen 1944 en 1945 werden op Ambon en elders op de Zuid-Molukken 99 mensen door de Japanners veroordeeld, waarvan 39 tot de doodstraf. Op Ambon werden ook nog 44 inwoners van de Kei-eilanden, waaronder 21 Ambonezen veroordeeld, waarvan 42 tot de doodstraf.

On Ambon the native population stayed loyal to the Queen of the Netherlands, so they were disobedient to the Japanese. Many were arrested and killed on possession of a Dutch flag, or pictures of the Dutch Royal Family. Ex-KNIL soldiers started to wander around and the Japanese had a hard time to take them out.

Between 1944 and 1945 alone on Ambon and elsewhere on the Molucca’s islands, 99 people were brought to Japanese military justice, of which 39 received the dead penalty. On Ambon also 44 inhabitants of the KEI-islands, under which were 21 Ambonese, 42 people were convicted to the dead penalty.

Ceram:

Hier was een Ambonese verzetsgroep actief die in september 1943 werd verraden. Zij werden allen terechtgesteld.

Here an Ambonese resistance group was active, that was betrayed in September 1943. They were all killed.

Sapoera: / Sapura:

Hier werd ook een verzetsgroep opgerold.

Here also a resistance group was caught.

Kei-eilanden: / Kai islands

Naast het onder Ambon vermelde werden op de Kei-eilanden 2 vrouwen gefusilleerd en 30 mannen onthoofd met als beschuldiging, dat men een guerrilla had willen beginnen.

Next to what is mentioned under Ambon, on the KEI-ilands two women were executed and 30 men beheaded.

Nederlands Nieuw-Guinea: / Dutch New Guinea:

Hier werd een Ambonese bestuursambtenaar, zijn gezin en de pastoor door de Japanners vermoord wegens gehechtheid aan het huis van Oranje. Verder zijn hier van het inheemse bestuurs personeel en de politie 150 personen om het leven gebracht. Verder ook 29 voorgangers van de Molukse Protestanse Kerk en zo gaat het maar door. De Molukkers bleven trouw aan Oranje.

Here the Ambonese civil servant, his family and the local pastor were killed by the Japanese, because they remained loyal to the House of Orage (the Dutch Royal Family). Of the indigenous civil servants and the police, 150 persons were killed. Furthermore 29 other pastors of the Moluccan Protestant Church were killed. And more happened, but the Moluccan people stayed loyal to the House of Orange.

Japanse terreur:  /  Japanese terror:

1942, Japanese troops occupy Soerabaja on the island of Java. Photo collection of the Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Objectnummer 2158_085585.

In de loop van 1943 nam de Japanse terreur, die al groot was nog enorm toe met toepassing van onverminderd sadistische methoden tot het einde van de oorlog, door de vele opgerolde verzetsgroepen en landingen van parties werden zij zo achterdochtig, dat alles wat maar op verzet kon duiden, werd aangegrepen om mensen te arresteren, of mensen die een functie hadden waarbij zij verzet zouden kunnen plegen preventief werden opgepakt en gevangen gezet. Velen kwamen om door martelingen of de algemeen slechte behandeling in de Japanse gevangenissen en er werd nog meer zonder vorm van proces gemoord. Dit gebeurde op alle bezette eilanden. Dus de angst onder de bevolking nam nog meer toe, het verzet werd minimaal en zo ook de kans van slagen van infiltratie-acties.

Over 1943 the Japanese terror that was already severe by means of relentless sadistic methods, even increased towards the end of the war. Due to the many caught resistance groups and the landing attempts of several intelligence parties the Japanese got more and more suspicious. People that had a useful function for illegal work, such as civil servants were arrested as a precaution.

Anything that even slightly could resemble resistance, spawned arrest and imprisonment. Many of them perished by torture or the general ill treatment in the Japanese prisons. And killing people without any trial became more common case. So the fear under the inhabitants grew even more, resistance activities were minimized and the change to succeed with infiltration parties was therefore near zero.

Geheime zenders op Java:  /  Covert transmitters on Java

Er werden door guerrilla- en verzetsgroepen pogingen ondernomen om met de geallieerden in contact te komen.

In juni 1942 probeerde een groep in Buitenzorg informatie door te geven aan de groep van Laurens van der Post, waarvan men wist dat die een zender had. Echter men kreeg via Van der Post geen contact met de geallieerden.

Een andere groep in Buitenzorg, geleid door reserve-eerste luitenant mr. L. J. Welter,  liet radio-onderdelen verzamelen, waarmee een zendontvanger werd gebouwd, echter toen die bijna klaar was in september 1942 werd de bouwer door de Japanners gearresteerd.

In Batavia werd ook een zendontvanger gebouw in opdracht van de door de Japanners afgezette directeur van het persbureau Aneta, dr. H. A. Colijn. Die zendontvanger kwam wel gereed. Er werd elke avond om 19:35 uur en nogmaals om 22:45 uur berichten uitgezonden. Na het uitzenden werd er geluisterd. Er werd maar één keer wat teruggehoord: “thanks message Batavia”. Eind juni 1924 werd de heer Colijn geïnterneerd, kort daarna opgehaald door de Kenpeitai en hij stierf in gevangenschap.

In Bandoeng werd in de eerste maanden van de bezetting een zender gebouwd door een functionaris van het Bureau Radio-omroep van de PTT-dienst, B. van der Heyden. Het hoofd van de PTT-dienst, ir. Hillen wist dat het hoofd van zijn technische dienst, ir. C. J. Warners, naar Australië was vertrokken en dat hij daar een luisterdienst wilde organiseren. Hij had met Warners een code afgesproken en het gebruik van de roepletters PKP.

Hij nam contact op met van der Heyden en deze was bereid de zender hiervoor te gebruiken, hij kreeg vier gecodeerde telegrammen, welke gedurende een paar weken om de andere dag werden uitgezonden, tot in november 1942. Toen deden de PID (Politieke Inlichtingen Dienst gerund door inheemse medewerkers) en de Kenpeitai een inval in de woning van Van der Heyden, zonder iets te vinden. In februari en maart 1943 werd het zenden weer voortgezet.

Echter een tussenpersoon werd gearresteerd, daarom demonteerde Van der Heyden de zender. Kort daarna kwam de Kenpeitai weer aan de deur en kon zijn vrouw nog net alle onderdelen in de rivier gooien.

Alleen eind februari 1943 is een keer op de uitzendingen gereageerd en werd terug geseind “PKP de CICEF YR CODE MSG DEST LEG MBN RCD OK”. In de gebruikelijke radio-afkortingen-taal en leger-afkortingen-taal, betekent dit “De Commander-in-chief Eastern Fleet. Your code-message destination Netherlands Legation Melbourne received okay”.

De heer O. R. Werdmüller von Elgg richtte midden 1942 een verzetsgroep op en was van plan om zowel in Bandoeng als in de bergen een geheim zendstation in te inrichten. De zender in Bandoeng kwam gereed en kon uitzenden totdat de zendploeg in juli 1943 gearresteerd werd. De zender in de bergen kwam niet verder dan het stadium waarin een ingenieur bezig was om een apparaat tot opwekking van elektrische energie te construeren middels een dynamo, aangedreven door een fiets. Er wordt nergens gemeld of deze zender ooit is gehoord door een geallieerd station.

By the guerrilla as well as by the resistantce groups attempts were made to get in contact with the Allies by means of radio.

In 1942 a resistance group in the area Buitenzorg tried to give a message to the Allies by the guerrilla group of Lieutenant-Colonel Laurents van der Post, of which they knew that he had a radio set. But he did not succeed in making radio contact as mentioned before.

Another group in the Buitenzorg area led by reserve first lieutenant L.J. Welter was gathering radio parts, with which a radio transmitter and receiver was build, however when almost finished in September 1942, the builder was arrested by the Japanese.

In Batavia also a radio transmitter and receiver was build ordered by dr. H. A. Colijn, the former director of the press agency Aneta (he was dismissed by the Japanese). This radio transmitter and receiver were finished and each night at 19.35 and again at 22.45 they were on the air, transmitting messages for the Allies. After transmitting the messages, they were of course listening, but only once was heard “thanks message Batavia”. By the end of June 1942, dr. Colijn was interned in a camp as all Dutch and Indies-Dutch people, but short after that he was taken by the Kenpeitai and he died in a Japanese prison.

In Bandoeng in the first months of the occupation a radio transmitter and receiver was built by an employee of the Radio Broadcast Service of the Dutch East Indies PTT, mr. B. van der Heyden. The head of this service , ir. Hillen, knew that the head of the technical service, ir. Warners went to Australia with the idea to organise a listening service over there. And they had on forehand agreed on a code and the radio station call “PKP” to be used. He contacted van der Heyden and the agreed that they would transmit four coded messages.

They were on the air each other day transmitting the four messages and listening up till November 1942. Then the de PID (Political Intelligence Service, which now was operated by the natives and said to be worse than the Kenpeitai) and the Kenpeitai raided the house of B. van der Heyden, but they did not find anything. In February 1943 the transmitting was continued. However a middleman of the organisation was arrested and van der Heyden desmounted his transmitter and receiver installation. Shortly thereafter the Kenpeitai came again to his house, but his wife managed to throw the radio parts in the river, just in time.

Only once, at the end of February they heard something back as follows: “PKP de CICEF YR CODE MSG DEST LEG MBN RCD OK” In the usual army and radio abbreviations, this means:  “The Commander-in-chief Eastern Fleet. Your code-message destination Netherlands Legation Melbourne received okay”.

Mr. O. R. Werdmüller von Elgg founded a resistance group in mid-1942 and he planned to have a covert radio transmitting and receiving installation in Bandoeng and another one in the mountains. The one in Bandoeng got ready and they were transmitting, until the radio-team was arrested in July 1942. The radio-installation in the mountains was in the stadium that an engineer was busy making a power supply with a generator driven by a bicycle, but they did not yet started with making the transmitter. Nowhere is mentioned if this transmitter was ever heard by the Allies.


Acties met agenten en infiltratiegroepen /  Actions with agents and infiltration groups

Voor de geallieerden was het belangrijk, om wat te weten te komen over de militaire activiteiten van de Japanners in bezet gebied, zoals troepen- en schepenconcentraties, aanleg van vliegvelden, bevoorradingsroutes e.d. Dat was een bijdrage, die de Nederlandse inlichtingendiensten geacht werden te kunnen verzorgen. Java was voor Nederland het belangrijkste bezette gebied, waarover men wat te weten wilde komen. Echter Nederland was vooral geïnteresseerd in de politieke situatie en trachtte daarnaast in contact te komen met eventueel guerrillavoerende onderdelen van het KNIL.

Wat men niet wist, was dat er op Java en Sumatra al snel geen guerrillavoerende onderdelen van het KNIL meer actief waren. De Japanners hadden alle verzet gebroken en velen na overgave vermoord. Alle westerlingen waren al snel in kampen opgeborgen, de bevolking buiten de kampen had een Japans persoonsbewijs nodig en een speciale pas om zich te mogen verplaatsen. Het overgrote deel van de bevolking was op de hand van de Japanners of uit angst bereid bijzonderheden aan de Japanners te melden. De infiltratie-acties hadden dan ook veel te ambitieuze doelstellingen en waren gedoemd te mislukken.

In Australië begon men dan ook eerst met het sturen van agenten en kleine infiltratieploegjes, “parties” genoemd, in het begin vooral naar Java. Na de eerste party kregen deze de codenaam “Tiger” met elk een volgnummer. Later stuurden vanuit Ceylon de Anglo-Dutch Country Section van de SOE en ook de Amerikaanse OSS parties naar Sumatra, vooral naar Atjeh. Deze agenten of infiltranten kregen vooraf een soort opleiding waarbij men leerde hoe men zich als geheim agent diende te gedragen, maar ook commando-achtige elementen, o.a. sabotage. Later op Ceylon werd er ook een soort Nederlandse commando-eenheid opgericht met de naam Insulinde, waarvan ook de NEFIS gebruik maakte.

For the Allies, it was important to get to know the military strength, intentions and activities of the Japanese in the occupied territories, such as concentrations of troops and ships, the construction of airfields, supply routes etc. Intelligence on those subjects for the Dutch East Indies was something the Dutch could contribute to the war effort. However for the Dutch, Java was the most important occupied area of which they wanted information on the internal situation. The Dutch East Indies Commission was mainly interested in the political situation. Furthermore the Dutch wanted to establish contact with KNIL guerrilla groups, they thought were still active.

They did not know that on Java and Sumatra, after a short while there were no KNIL guerrilla groups active anymore. The Japanese had broken all resistance and murdered many of the men after surrender. All westerners were detained in camps, the population outside the camps needed a special pass to be allowed to travel and the larger part of the population was collaborating with the Japanese or out of fear willing to report to the Japanese anything, they should know. The goals of the infiltration actions therefore were much to ambitious and doomed to fail.

In Australia the NEI section of the SOE started to send agents and small infiltration groups, called “parties”, at first concentrating mainly on Java island. After the first party, they all got the code name : “Tiger” with a sequence number. Later from Ceylon the Anglo-Dutch Country Section of the SOE and also American OSS started to send parties to Sumatra, especially to Aceh. The infiltrators and agents got a training, how to behave as secret agent and also a kind of commando training, including sabotage. Later on Ceylon, there was also a kind of Dutch commando-unit formed, named “Insulinde”. Men of this unit were also used by NEFIS.

Members of the Dutch commando-unit Insulinde, training for action with the Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS). They are walking a patrol in a typical jungle swamp area near Merauke on Dutch New Guinea. This resembles the common terrain difficulties that were met by the parties that were active in New-Guinea, were marches of several days through this kind of swaps were necessary, in order to reach the objectives. Photo collection of the Metherlands Institute of Militairy History (NIMH), Objectnummer 2155-027827.

De meeste van die groepjes kregen een radio-set mee. De berichten werden verzonden in code. Echter voor het geval dat de telegrafist/marconist in handen van de vijand zou vallen en eventueel na marteling de codes moest prijsgeven, was er ook een securitycheck afgesproken. Die bestond uit privéfeiten, die alleen de persoon in kwestie kon weten, zoals: Wat is de naam van de kat van je buurvrouw?

Veel parties werden per onderzeeboot naar hun bestemming gebracht, omdat een onderzeeboot ongezien een kust kan benaderen en ook bijna geruisloos kan varen op de elektrische voortstuwing. Ook werd van watervliegtuigen (vliegboten) gebruik gemaakt. Later bleek het uit een vliegtuig droppen per parachute succesvol, maar vooral in een gebied bedekt met jungle, waarschijnlijk omdat observatie van het luchtruim vanaf de grond daar beperkt was.

Hier volgen de door de Nederlandse diensten ondernomen acties, in de vorm van een korte beschrijving voor elk, inclusief het gebruik van radio, per eiland of gebied:

Most of the parties were equipped with one or two radio sets. They were to transmit their information in code. However in case the telegraphist would fall in the hands of the enemy and after torture had to reveal the codes, there was also a on beforehand agreed safety check. This check was based on private facts, that only that person would know. So the asked questions like: what is the name of the cat of your neighbour?

Most parties were brought to their landing location by submarine, this because because a submarine could approach a coast silently by using its electric propulsion. Also seaplanes were used. Later dropping them by parachute seem to work well in areas covered with jungle, because there the possibility of observation of the sky was limited.

Now follows all the actions undertaken by the Dutch services, as a short description for each, including the use of radio, sorted per area or island:

Java

Covert actions on Java. Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication. Edited by Hugo Ouwerkerk.

7 september 1942:

Een party met de codenaam Mackerel, bestaande uit 4 personen, waaronder matroos telegrafist W.F. Schenau en onder leiding van G.C.M. van Arcken, werd door onderzeeboot Hr. Ms. K-XII naar de opgegeven landingslocatie, de Radjegwesibaai op Java gebracht.

The 7th of September 1942:

A party with the code name Mackerel, existing out of 4 persons, including sailor telegraphist W.F. Schenau and under command of G.C.M. van Arcken, was brought by the Dutch submarine Hr. Ms. K-XII to the planned landing location in the Radjegwesi bay on the island of Java.

The Dutch submarine K-XII, fitted with her “tropics tent” and removable navigation mast. Photo collection of the Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Objectnummer 2158_002421.

Door de hevige branding sloegen de jol en het rubberbootje, waarmee men aan land wilde gaan, om en verloor men het meeste materiaal, waaronder de zendontvanger. De missie werd opgegeven.

However when rowing from the submarine to the shore, the rowboat and dingy capsized, due to the heavy surf near the shore. All equipment was lost, including the radio set. The mission was aborted.

17 november 1942:

Twee parties naar Java, grotendeels bestaande uit marinepersoneel.:
Tiger I, bestaande uit 3 personen, waaronder de telegrafist Soetarno.
Tiger II, bestaande uit 4 personen, waaronder de telegrafist Oentoeng.
Door onderzeeboot Hr. Ms. K-XII werd Tiger I naar de Prigibaai en Tiger II naar de Serangbaai gebracht.

De landing verliep nu goed. Bij Tiger II moest dat met één rubberbootje in twee keer gebeuren en zou telegrafist Oentoeng bij de tweede keer meegaan. Echter vanaf het strand werden niet de afgesproken seinen gegeven door de eerder gelande mannen. Men moest er dus rekening mee houden, dat het daar niet pluis was en telegrafist Oentoeng bleef aan boord van de K-XII.

Na nog twee dagen de kust geobserveerd te hebben, vertrok de K-XII naar de volgende opgegeven landingslocatie, die voor Tiger I. Daar werd afgesproken dat de K-XII gelijk weg zou varen en dat men per radio contact op zou nemen. Na meerdere dagen luisteren en kijken zonder resultaat is de K-XII weggegaan.

The 17th of November 1942:

Two parties, mainly existing out of navy personnel, were send to Java:
Tiger I, existing out of 3 persons, including radio telegraphist Soetarno.
Tiger II, existing out of 4 persons, including radio telegraphist Oentoeng.
Submarine Hr. Ms. K-XII brought Tiger I to the Prigi bay en Tiger II to the Serang bay.

First Tiger II had to be put onshore. Now the landing on the shore was without problem. Tiger II had to use one small dingy and had to row twice. The second time telegraphist Oentoeng would be rowed to the shore. However from the beach they would first have signalled with a light, that all was well. However no signal was seen, maybe the men on the beach were captured by the Japanese. So Oentoeng had to stay on board the submarine.

After having observed the coast for two days, without seeing anything, the K-XII left for the other landing location for Tiger I. They agreed, that there would be no signalling with lights and the K-XII was to move away immediately. After a while the party would contact the submarine by radio. After listening for some days and also observing the coast, nothing was seen or heard and the K-XII left the area.

21 januari 1943:

Tiger III, deze party naar Java bestond uit slechts één persoon zonder radioapparatuur. Deze werd weer door onderzeeboot Hr. Ms. K-XII naar de opgegeven landingslocatie gebracht. Aan boord was ook telegrafist Oentoeng, want de K-XII had ook de opdracht om de vorige afzetpunten te bezoeken om te zien of men contact kon krijgen met Tiger I en Tiger II (er waren voor het weggaan van deze parties datums, tijden en locaties afgesproken om in contact te komen). Bij contact met Tiger II, zou Oentoeng daar alsnog aan toegevoegd worden.

Echter nog voor er een poging werd gedaan om Tiger I op te zoeken, kreeg de K-XII per radio opdracht om hiervan af te zien wegens gevaar. Vervolgens ging men naar de locatie van Tiger II waar vanaf de wal met licht werd geseind, dat er gevaar was en men terug moest gaan. De K-XII bevestigde de ontvangst door het seinen van de letter R en ging door naar de landingslocatie voor Tiger III.

Die ene persoon van Tiger III was aspirant-reserve officier sergeant-adelborst D. Lapod, die de laatste 300 m zwemmend door de branding zou afleggen, met zijn spullen in drijfzakken. Een lichtsein wat Lapod zou geven, als hij veilig was geland, werd niet waargenomen en na een tijdje is de K-XII vertrokken. Telegrafist Oentoeng moest dus weer ter onverrichte zake mee terug. Later is vernomen, dat Lapod goed is geland en een tijdje op vrije voeten is geweest, maar uiteindelijk door de Japanners is opgepakt.


The 21th of January 1943:

Tiger III, this party to Java existed out of just one person without radio. He was transported by the Hr. Ms. K-XII and on board was also telegraphist Oentoeng, because the mission of the K-XII was also to look for Tiger I and Tiger II at the points were they had landed ( beforehand with those parties was also agreed, that if something went wrong, the should be on certain dates on certain points, to have a possibility to re-establish contact). If the K-XII managed to get in contact with Tiger II, telegraphist Oentoeng would join this party after all.

However before an attempt was made to search for Tiger I, the order came by radio to skip this because of imminent  danger. The K-XII went straight to the landing location of Tiger II. At that locations someone was sending Morse code with a light. The message was “danger, go back”. The K-XII acknowledged message received by sending the letter R and went to the landing location for Tiger III.

The one person, being Tiger III, was reserve officer sergeant midshipman D. Lapod, who in this case did swim the last 300 m through the surf, with his gear in floating sacks. When he got safely on the beach, he was supposed to give a light signal, however a light signal was not seen by the K-XII and after a while left the area. Again telegraphist Oentoeng was to return to Australia. Later became known, that sergeant Lapod did land safely and managed to stay out of the hands of the Japanese for a short period. But eventually the Japanese got him.

16 april 1943:

De Hr. Ms. K-XII vertrok weer naar Java, nu met Tiger IV en Tiger V aan boord, elk bestaande uit één persoon, respectievelijk telegrafist Oentoeng en korporaal-machinist Raden Mas Soejitno. Verder moest er weer uitgekeken worden naar Tiger I en Tiger II.  Daarna werd naar de Pangpangbaai gegaan om Tiger IV en V af te zetten.

Beide mannen  werden afgezet met de jol en kwamen goed aan land, het laatste stukje wadend. Van Soejitno is nooit meer wat vernomen. Over Oentoeng werd later bekend, dat hij door de Japanners is opgepakt, want op 26 september 1943 werd in Australië per radio bericht ontvangen in de code van Oentoeng, namens Bergsma, de leider van Tiger I, waarna er ca. 1x per 2 weken radiocontact was.

Echter het nieuwe hoofd van NEFIS III, luitenant-ter-zee eerste klasse L. Brouwer, vertrouwde het niet. Het radioverkeer werd een maand of drie voortgezet en toen afgebroken, want op de eerste securitycheck werd al een fout antwoord gegeven en daarna op de tweede securitycheck ook. De laatste vraag was, hoe het dochtertje van Bergsma thuis weleens genoemd werd. Er werd geantwoord “Meubel”, maar het juiste antwoord was “Huiskruis”. Dus de securitycheck bewees zo zijn nut.

The 16th of April 1943:

Submarine the Hr. Ms. K-XII left Australia, again for Java. On board Tiger IV being telegraphist Oentoeng and Tiger V being  corporal engineer Mas Soejitno. Again the should look for Tiger I and Tiger II at several locations. After that the new partie should be put ashore in the Pangpang bay.

Both men were put successful ashore with the submarine’s rowboat, the last bit wading. From Soejitno was never heard again. Later became known, that Oentoeng was taken by the Japanese, because on the 26th of September 1943 in Australie a radio message from in Oentoeng’s code was received. The Message was on behalf of Bergsma, the leader of I.
After that, there was once in two weeks radio contact.

However the new head of NEFIS III, Lieutenant Commander First Class L. Brouwer did not trust the messages. The radio traffic was maintained for three months and then halted by the NEFIS. On the first security check there was already a wrong answer, as well as on the second security check. The last question was: What funny name is used for the little daughter of Bergsma, when they were at home. The answers received was “Meubel”, but the correct answer was “Huiskruis”. So the security check payed off.


14 juli 1944:

Een party Seagull genaamd wordt gedetacheerd bij de Amerikaanse Alamo Scouts, een soort commando’s, die lange afstandsverkenningen uitvoerden. Dit was bedoeld als training en om ervaring op te doen met de door deze Amerikaanse eenheid gebruikte methodes, organisatie en bewapening. Aan Nederlandse zijde dacht men er aan om tegen Java meer commando-achtige “hit and run” operaties uit te voeren en om de infiltratie parties ook te laten ondersteunen door commando-achtige groepjes, de z.g. Inco’s (Intelligence Commando’s).

The 14th of July 1944:

The party Seagull was attached to the American “Alamo Scouts”. This were a kind of commando’s, that were performing long range recognisance. This attachment was meant for training and gaining experience, whit the by the American unit used methods, organisation and weapons. The Dutch were considering to begin using hit and run operations against Java and also to have infiltration parties supported by commando like teams, that they called Inco’s (Intelligence Commando’s).


23 juli 1943:

Tiger VI werd door onderzeeboot Hr. Ms. O-21 naar Java gebracht en bestond weer uit één persoon, zonder zendontvanger.

The 23rd of July 1943:

This time Dutch submarine Hr. MS. O-21 brought Tiger VI to Java, again just one person, but without radio.

Dutch submarine O-21. Photo collection of the Netherlands Institute for Militairy History. Object no. 2158_005790.

Inmiddels was bij de reorganisatie van de inlichtingendienst de NEFIS officieel opgericht en was dit de eerste infiltratie-actie door de NEFIS sectie III georganiseerd.

Er werd een speciale codeermachine aan boord van de O-21 gebracht voor de communicatie met de NEFIS. Welke machine dit was, is onbekend. Tot dan toe gebruikte de Nederlandse Marine de Enigma chiffreermachine. Echter de opdracht was niet veel anders, want er moesten weer op van te voren afgesproken rendez-vouspunten  aangedaan worden en uitgekeken worden naar de vorige Tiger-parties.

During the reorganisation of the NEFIS in the meantime, the name NEFIS had become officilal and this was the first action organised by NEFIS section III.

This time a special coding machine was brought on board of the submarine, to enable communication with NEFIS III. Which machine this was is unknown. Up till then the Dutch Navy used the famous Enigma coding machine. However the mission was nothing different from the foregoing ones. At several in advance agreed rendezvous-points they should look for the foregoing Tiger parties and put the new party ashore.

The Enigma machine got his fame because the Germans used it during WW2 and the Brittish went to great lengths to break the code. However the Dutch used this machine also for coding and decoding diplomatic, Army and Navy messages. Door Karsten Sperling, http://spiff.de/photo – Eigen werk, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php

Er was uiteraard weer niemand op de afgesproken locaties en er werd niets bijzonders gezien. Tiger VI werd aan land gebracht, die de 3e dag weer moest worden opgehaald. Echter deze werd niet meer gezien. Later is bekend geworden, dat hij op 6 augustus door de Japanners is opgepakt.

Again no one showed up at the rendezvous-points. Tiger VI was put ashore and should be picked-up again on the third day. However no one showed up again. Later became known, that Tiger VI was already on the 6th of August 1943 taken prisoner by the Japanese.

21 september 1944:

Met een Catalina vliegboot van de MLD wordt party Goldfish I bij het eiland Nila afgezet, waar party Turnip zich al bevond. De party bestond uit 8 man zonder radio. De opdracht was om op Java steun te verlenen aan eventueel bestaande verzetsorganisaties, schuilplaatsen te zoeken voor agenten, verkrijgen militaire gegevens, steun aan krijgsgevangenen en geïnterneerden en betrouwbare bestuursambtenaren op de hoogte brengen van de situatie in de Pacific (winst America en verlies Japan).

Men voer per prauw naar Java, maar door slecht weer strandde men op een eilandje , waar een deel van de ploeg bleef. Met een andere kleine prauw ging een deel van de party naar Java en trachtten daar de opdracht uit te voeren. De achtergeblevenen kregen bericht om hen op te halen, echter door slecht weer lukte dat niet en  uiteindelijk zijn ze gevangen genomen door de Japanners en om het leven gebracht.

The 21st of September 1944:

A Catalina seaplane of the Dutch Navy brought party Goldfish I to the small island of Nila, were party Turnip was already successful. Party Golfish I existed out of 8 men., without a radio. Their mission was to support eventual resistance groups on Java, search for suitable hide-outs for agents, gathering military information, support prisoners of war and other prisoners, search reliable civil servants and inform them of the winning situation of the Allies in the Pacific.

The party sailed with a proa for Java, however due to bad weather they stranded on a small island. A part of the party stayed there and the other went on to Java using a smaller proa and tried to start the mission. The men stayed behind on the small island got word from the men on Java, to pick them up. However due to bad weather this did not succeed and finaly the men on Java were captured by the Japanese and killed.

Native proa (prauw) sailing near Makassar. By Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=8610482.

Het overige deel van de party was in de tussentijd ook een actie begonnen in Makassar op Celebes, waar men veel militaire gegevens wist te verkrijgen. Na het twee keer mislukken van het terughalen van de party-leden op Java, is men teruggevaren naar Nila en arriveerde op 17 februari 1945 te Darwin in Australië.

In the meantime the remainder of the party, having the small island as a base, started a mission against Makassar on the island of Celebes. There they succeeded in gathering military information. After two failed attempts to bring the other party members back from Java, they sailed back to Nila and they arrived on the 17th of February 1945 in Darwin, Australia.

24 februari 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt naar de Penandjoengbaai aan de zuidkust van West-Java voor de uitvoering van de NEFIS-operatie Poppy. Het plan was om een enigszins ontwikkeld persoon op Java uit te zoeken en te ontvoeren, om deze te kunnen verhoren over de situatie op Java.

De duikbootkapitein vond, dat de Penandjoengbaai ongeschikt was voor een landing, want de luchtfoto’s toonden Japanse kustverdedigingswerken en dan was het ook te verwachten, dat er mijnen in de baai zouden liggen. Hij vond het onjuist om een duikboot aan dit risico bloot te stellen, terwijl de opdracht ook vanuit een andere locatie op de Javaanse kust kon worden uitgevoerd. Ook vond hij het te laat in het seizoen, waarin de weersomstandigheden te slecht werden om een landing uit te voeren.

Echter er werd toch besloten dat de opdracht volgens plan moest worden uitgevoerd. Na veel slecht weer bij de Penandjoengbaai aangekomen te zijn bleek de zware deining en harde wind een landing onmogelijk te maken, na nog op andere locaties geprobeerd te hebben, bleek ook daar ondanks het liggen van de wind een te zware deining te staan. Men keerde onverrichte zaken terug naar Australië.

The 24th of February 1945:

Dutch submarine Hr. Ms. K-XV sails fort the Penandjoeng bay at the southwest coast of Java for NEFIS operation Poppy. The mission was to kidnap an educated person from Java and to interrogate this person on the situation on Java.

The submarine captain had the opinion that the Penandjoeng bay was not suitable for landing a party, because the aerial pictures showed coastal defences and in that case, it could be also expected that there were mines laid in the bay. In his opinion it was not correct, to expose a valuable asset as a submarine to this risk, because the same mission could also be done on another location on Java. Also the mission was planned to late in the weather season, making the weather conditions not suitable to make a landing at all.

Nevertheless the mission was pressed on according to the original plan. After a lot of bad weather, the Penandjoeng bay was reached. There it appeared that due to heavy wind and high waves a landing was not possible. Several other locations were tried and there was less wind, but such a heavy swell that a landing was not possible. They returned to Australia.


28 april 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XIV vertrekt naar eilandjes oostelijk van Madoera voor de uitvoering van de NEFIS-operatie Potato, met een party van 11 personen, waaronder telegrafist J.M.R. van der Bijl . Op het kleine eiland Goagoa moest men de daar eerder in grotten verborgen voorraden aanvullen. De NEFIS-ploeg ging vlot aan land en had deze keer een walkie-talkie bij zich, waarmee werd gemeld, dat de grotten waren ingestort en deels bewoond.

The 28th of April 1945:

The Dutch submarine Hr. Ms. K-XIV leaves Australia for the small islands east of the island Madoera, for the NEFIS operation Potato. On board is a party of 11 persons, including the telegraphist J.M.R. van der Bijl. The first part of the mission was to go to the small island Goagoa and replenish the supplies that were hidden in caves. The NEFIS-party went ashore by dingy and this time they had with them a very small portable radio, a so called “Walkie Talkie”. With this device they were able to report directly, that the caves were now caved-in and partially inhabited.

SCR536 US Signal Corps “Walkie Talkie”. By Unknown author – M 11-235 manual. Scanned and uploaded to English WP by LuckyLouie, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=6495296.

De voorraden werden nu op het nabij gelegen eilandje Telango Timoer verborgen. Daarna voer men naar het eiland  Kemerian, waar een party aan land gezet moest worden. Dit lukte en de leider van die party meldde per radio, dat alles goed was. De volgende opdracht in deze missie was het ontvoeren van een bemanning van een prauw bij het eiland Bawean. Dit lukte ook en de K-XIV ging weer terug naar Australië.

De party moest na een maand radiocontact opnemen met Batchelor. Echter er werd niets meer van de party vernomen. Een daarop gestuurde vliegtuigverkenning leverde ook niets op. Later vernam men van het enige overlevende party-lid, dat de inlanders van het eiland Kangean twee party-leden hadden vermoord en de telegrafist aan de Japanners hadden uitgeleverd, die door hen is geëxecuteerd.

Now the supplies were stored and hidden on the nearby small island Telango Timoer. After that, the submarine sailed to the small island Kemerian, were the party was to go onshore.
This succeeded and the party reported by radio, that everything was OK. The K-XIV to go to the island Bawean and kidnap the crew of a native proa. This was also successful and the K-XIV went back to Australia.

The party should contact Batchelor after one month, however nothing was heard. Sending a recognisance plane did not give result either. Later one surviving party-member was found and questioned and it appeared, that the population of the island of Kangean had killed two party-members and had extradited the telegraphist to the Japanese. These have executed the telegraphist.

24 mei 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt met de NEFIS-opdracht om de Parsnip-party op de noordkust van Java aan land te zetten. De party bestond uit 3 personen, waaronder een telegrafist. Een voorverkenner werd aan land gezet, echter er bleek kustverdediging te zijn. Men wilde nu de party op een eilandje vlakbij de kust afzetten, daar ging men aan land, echter de leider van de party vond het te riskant worden en zag van de hele opdracht af. Daarmee was deze actie mislukt.

The 24th of May 1945:

Submarine Hr. Ms. K-XV leaves Australia with the NEFIS assignment to put party Parsnip ashore on the north coast of Java. This party existed out of 3 persons, including a telegraphist. First a scout was put ashore and appeared to have landed among Japanese coastal defence works. Now the idea was to put the party ashore on a small island nearby the coast. There the party went ashore, but the leader of the party thought there was too much risk and cancelled the operation. So this mission was a failure.


30 mei 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XIV vertrekt naar de Paternostereilanden voor het uitvoeren van NEFIS-opdrachten onder de naam operatie Goldfish II. De NEFIS-ploeg bestond weer uit 11 man. Op het eiland Satengar werd de party aan land gezet. Daarna ging het door naar twee andere eilanden, waar bij elk een prauwbemanning ontvoerd moest worden.
Dit lukte ook en de K-XIV keerde weer terug naar Darwin Australië.

Party Goldfish II had als opdracht om de op Java achtergebleven de Haas en Soeprapto van Goldfish I te zoeken en de door hen verkregen informatie per radio door te geven. Na tochten in de omgeving en bezoeken op Java, kreeg men informatie dat de Japanners destijds op de hoogte waren gesteld van de aanwezigheid de Haas en Soeprapto en uit angst wilde de informant niet verder meewerken. Dus die opdracht kon niet verder worden uitgevoerd.

Men ging terug naar Santengar, waar de bevolking op andere eilanden gevangen genomen Japanse schipbreuklingen aan hen uitleverde. Verder kon men daar veel informatie van de prauwenvaarders verkrijgen en werd ook lading in beslag genomen. De party met de volledige uitrusting, inclusief radio, werd na de Japanse capitulatie door onderzeeboot Hr. Ms. O-23 opgehaald en op 22 november 1945 te Makassar op Celebes afgezet.

The 30th of May 1945:

The submarine Hr. Ms. K-XIV leaves Australia for the Paternoster islands to carry out several NEFIS assignments under the name operation Goldfish II. The party was 11 men strong and was put ashore on the island of Satengar. Then the K-XIV went on to two other islands. Near each a proa crew had to be kidnapped. The K-XIV succeeded and went back to Darwin, Australia.

The assignment of Goldfish II was to search for the men of Goldfish I, de Haas and  Soeprapno, which then were left behind on Java. If they were found, then their gathered information was to be reported by radio. After some search patrols with a proa in de surroundings and visits to Java they got hold of a person that knew that de Haas and Soeprapno were betrayed to the Japanese. However this person was too afraid to cooperate any further. So their mission could not be executed any further.

The went back to Satengar were the population extradited Japanese shipwreck survivors to them, that they had captured on other islands. On the island they got a lot of information from passing proa crews and also cargo of hostile proa’s was confiscated. After the Japanese capitulation the party was picked-up by the Dutch submarine Hr. Ms. O-23. On the 22nd of November 1945 the party came on board with their complete equipment, including the radio and was brought to Makassar on the island of Celebes.

Dutch submarine Hr. Ms. O 23. Photo collection Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no. 2158_015507.

Celebes–Halmaheira–Noordelijke Molukken–West Nieuw-Guinea / Celebes–Halmaheira–North Molucca’s–West New-Guinea

Covert actions on Celebes, the Molucca’s and West New Guinea. Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication. Edited by Hugo Ouwerkerk.

9 Juni 1942:

De eerste party van de NEI-sectie van het AIB, party Lion onder reserve-eerste luitenant R.T. Hees voer per inheemse prauw naar Celebes. Een tocht van 1700 km door vijandelijk gebied! Dit was naar aanleiding van een door Darwin Air Radio opgevangen radiobericht van eerste luitenant de Jong die in centraal Celebes een guerrilla was begonnen. Hij vroeg toen om hulp. Er werden goederen voor hem gedropt maar  bereikten hem niet.

Party Lion bestond uit 3 personen, waaronder de telegrafist eerste klas B. Belloni. De party moest inlichtingen verzamelen over Midden-Celebes, een verkenning doen bij het belangrijke door de Japanners als militaire vliegveld in gebruik genomen Kendari en contact zoeken met de groep De Jong. De party ging aan land bij Kolonodale en op 11 juli ontving men in Australië een zwak radiosignaal van Lion, maar men kon de inhoud van het bericht niet ontcijferen. Na de oorlog is vernomen, dat de party was verraden, op 12 of 13 juli door de Japanners gevangengenomen en op 14 september onthoofd.

The 9th of June 1942:

The first party of the NEI-section of the AIB, the party Lion commanded by reserve first Lieutenant R.T. Hees sailed with an indigenous proa to Celebes, a journey of 1700 km through enemy territory! The reason was that a radio message was received by Darwin Air Radio, from Lieutenant De Jong, who had started with guerrilla warfare in the centre of the island Celebes. As mentioned earlier, he had asked for help, but the supplies dropped did not reach him.

The party had to collect intelligence about middle Celebes, the airfield Kendari that had become an important Japanese airbase and seek contact with the group of Lieutenant De Jong. The party landed near Kolonodale, but after a first faint radio signal received in Australia the 11th of July, that could not be decoded, nothing was heard. After the war became known, that the was betrayed, that the Japanese had captured them on the 12th or 13th of July and that they were beheaded on the 14th of September 1942.

28 december 1942:

Party Flounder kwam aan op de zuidkust van Ceram in de Molukken met de Amerikaanse onderzeeboot Searaven. Deze party kreeg geen radiozendontvanger mee, stond onder leiding van luitenant ter zee 2e klasse H.P. Nijgh en telde nog 7 andere leden, grotendeels Molukkers. Men had als opdracht om op Ceram een spionagecentrum te beginnen om inlichtingen te verzamelen in het gebied van de Zuid-Molukken, vooral betreffende Ambon dat als Japanse vloot- en luchtbasis fungeerde.

The 28th of December 1942:

Party Flounder came to the south coast of the island Ceram in the Molucca’s, transported by the American submarine Searaven. The part was not equipped with radio and existed of Lieutenant Commander second class H.P. Nijgh en 7 other men, largely Moluccans. Their mission was, to set-up a spy centre on Ceram, to gather intelligence in the South-Molucca’s area, with special attention to the island Ambon, that serves as a Japanese Navy and Airforce base.

The American submarine Searven. By Unknown author – This file has been extracted from another file: USS Searaven – 19-N-21882.tiff, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4136980.

De geplande locatie bleek bewoond en men landde elders op Ceram. Het was de bedoeling een prauw te kopen en over te steken naar Ambon. Echter men werd door de lokale bevolking verraden aan de Kempetai, men werd gearresteerd en onthoofd. Afgesproken was dat op 1 mei 1943 de Amerikaanse onderzeeboot Tresher contact met de party zou zoeken. Die verscheen op die datum, maar dus tevergeefs.

The landing location planned appeared to be inhabited so the party landed on another location on Ceram. The intention was to buy an indigenous proa and cross the sea to Ambon. However they were betrayed by the local population to the Kenpeitai, arrested and beheaded. Agreed was that on the 1th of May 1943 a submarine would come and seek contact with the party. That was the American submarine Tresher which duly appeared on that date, however  in vain.

30 maart 1944:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt met de NEFIS-opdracht om de Prawn party bij Sorong op Nieuw Guinea af te zetten. De party bestond uit 7 personen, waaronder de telegrafist J.F. Bastiaans. De opdracht was om weerberichten, scheeps- en vliegtuigbewegingen en informatie over de gang van zaken en de Japanse strijdkrachten in dat gebied door te geven, als voorbereiding op een Amerikaans offensief tegen de zogenaamde Vogelkop, de noordwestpunt van Nieuw-Guinea, waarbij vooral de haven Sorong en de eilanden Salawati en Waigeo de belangrijkste doelen zouden zijn.

The 30th of March 1944:

Submarine Hr. Ms. K-XV leaves with the NEFIS-mission to land party Prawn near Sorong at New-Guinea. This party existed out of 7 men, including telegraphist J.F. Bastiaans. The mission was to report weather, movement of ships and airplanes and information of the general activities of the Japanese forces in the area. This mission was part of the preparation of an American offensive against the so called “Birds Head”of New Guinea, in which the harbour of Sorong and the islands of Salawati and Waigo were the major objectives.

Dutch submarine K-XV. From the  conning tower, on the left,  an electrical cable, attached with loops to a steel cable is running forward, probably for navigation lighting. On the right is the radio antenna.

Deze party werd succesvol aan land gebracht en kon zich handhaven. In eerste instantie begroef men de ingeblikte voorraden en NEI-set op het strand en trok met de ATR4A voor de verbinding met NEFIS en grondlappen voor de communicatie met vliegtuigen de heuvels in. Na het vinden van een goede locatie werden een basiskamp, een uitkijkpost en een radiostation ingericht. Dit laatste met gebruik van de NEI-set.

De verzamelde inlichtingen werden per radio doorgeseind. Volgens de telegrafist J.F. Bastiaans was de radioverbinding goed. Men zal dus in verbinding hebben gestaan met het Nederlandse station te Batchelor. De party was succesvol en kon de benodigde gegevens doorseinen, echter de plannen voor het offensief werden afgelast, want dat nam een andere richting.

Op 14 juli 1944 arriveerde onderzeeboot Hr. Ms. K-XIV in de omgeving om de party op te halen. Party-leider De Lang meldde nog, dat men op 15 juli nog geen verbinding kon krijgen met de duikboot, wegens een fout in de tijdrekening. Echter nadat de K-XIV de afgesproken plek tot op 300 m was genaderd zag men lichtsignalen en kwam de party behouden aan boord.

This party was successfully landed and could hold out. At first they buried the canned supplies and NEI-set on the beach. They then went inland into the hills, using the ATR4A for communication with the NEFIS. They also carried ground flaps for communication with airplanes. After they found a suitable location to set-up a basecamp a look-out post was erected and the radio station, using the NEI-set.

The gathered information was reported by radio. According to telegraphist Bastiaans the radio link worked well. The radio link would have been with the radio station at Batchelor. The party was successful and did transmit all needed information, however the plan for this American offensive was cancelled, the offensive took another direction.

On the 14th of July 1944 submarine Hr. Ms. K-IV arrived in the area to pick up the party. The party leader De Lang reported that on the 15th of July they could not establish radio contact with the submarine, due to an error in the time table. However when the K-XIV approached the coast up to 300 m at the agreed location they got in contact, using light signals and the party was taken on board the submarine in good order.


14 juni 1944:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XIV vertrok met een NEFIS opdracht om de Australische party Menzies (bestaande uit 5 man) af te zetten bij het eiland Salawati in de omgeving van Straat Sagewin. De party moest zich met hun kleine vouwbootjes begeven naar een punt, waar een Japanse ankerplaats in een baai en de Straat van Sagewin overzien kon worden, om dan per radio de scheepsbewegingen door te geven.

De geplande landingslocatie bleek ongeschikt en men ging op een alternatief punt aan land. Na het afzetten werd er per radio gemeld dat alles goed was. De K-XIV torpedeerde nog een Japans oorlogsschip in de omgeving en ging weg. De Australiërs gingen met hun vouwbootjes van kaap Dadi, ook naar kaap Makoe op eiland Bantanta, naar Boeteris op oost Selawati en Jef Doif eiland voor de oostkust van Selawati, tegenover de havenplaats Sorong op west Nieuw-Guinea. Totaal ongeveer 100 km peddelen. Zij rapporteerden per radio via Batchelor. De party was succesvol en werd bij het eiland Bantanta opgehaald door een PT-boat (Patrol Torpedo boat).

The 14th of June 1944:

Submarine Hr. Ms. K-XIV left Australia with the NEFIS-assignment to bring the Australian party Menzies (existing out of 5 persons) to the island of Salawati in the area of the Straight Sagewin. The party in their small folding boats should then move to a point, were they could overlook the Japanese anchor place in the bay as well as the Straight Sagewin and report by radio any movement of ships.

The planned landing location appeared to be unsuitable and the landing was carried out at an alternative location. After the landing was reported by radio that all was OK. Then the K-XIV did torpedo a Japanese ship of war, that was in the area and left. The Australians, using their folding boats, went to Cape Dadi, then to cape Makoe on Bantanta island, then to Boeteris on east Salawati and the Jef Doif island for east Selawati and opposite the harbour Sorong at the west coast of New Guinea. Totally about a 100 km of paddling. They reported via radio to Batchelor. This party was successfull and was picked-up near the island of Bantanta by a PT-boat (Patrol Torpedo Boat).

De Hr. Ms. K-XIV in a repair dock. The Navy vessels travelled many sea miles under the most severe weather conditions. It was normal that some damage occurred and also regular maintenance had to be done.  Furthermore small upgrades were carried out and old equipment was replaced by modern equipment. On this photograph the openings at the bow for launching torpedo’s are visible, there are two at each side. Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no. 2158_005755.

Eind augustus 1944:

Party Radish werd per parachute op de “Vogelkop” gedropt door een Amerikaanse B-25. Deze party bestond uit de luitenant-ter-zee derde klasse Mohammed Abdoel Razak, telde verder een Europese korporaal, twee Europese marconisten en zes Indische militairen. De opdracht was om contact te maken met de overgebleven leden van de guerrillagroep van KNIL kapitein Geeroms waarna het geheel opgepikt zou worden.

At the end of August 1944:

Party Radish was parachuted on the “Birds Head” by an American B-25. This party existed out of Lieutenant Commander third class Mohammed Abdoel Razak, a European corporal, 2 European telegraphists and six native soldiers. The mission was, to search for the remaining members of the guerrilla group of KNIL captain Geeroms, after which all would be picked-up.

Photograph taken in Camp Wacol in Australia of 11 out of 18 of the  guerrilla fighters of group Kokkelink, after evacuation and dressed in new clothes. Photo collection of the Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no.  2155_502149.

Deze KNIL-militairen en burgers trokken als sinds het begin van de Japanse bezetting door het binnenland. Geeroms zelf was in april 1944 toch nog in Japanse handen gevallen en onthoofd. Na een maand zoeken kwam men in contact met deze groep, die toen onder leiding stond van sergeant M. Ch. Kokkelink. Er werd zelfs een landingsstrip voor een vliegtuig aangelegd en in oktober kon men per vliegtuig worden afgevoerd naar Australië. Dus deze party was ook succesvol.

These KNIL-men and civilians moved through the inland jungle since the occupation by the Japanese. However, Captain Geeroms himself fell in April 1944 in the hands of the Japanese and was beheaded. After a moth of searching the contact with this guerrilla group could be established, that was then led by sergeant M. Ch. Kokkelink. There was a landing strip made and in October 1944 all were transported by airplane to Australia. So this party was also successful.

Sergeant Kokkelink, just after the official ceremony of receiving the decoration “Militaire Willems-Orde”, being spoiled by two nice ladies of the VHK (“Vrouwen Hulp Korps” Women Service Core). Photo collection of the Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no. 2155_022827.

10 september 1944:

Party Pineneedle geleid door sergeant-majoor J. M. de Wit, bestond uit 5 man, waaronder telegrafist sergeant  P. Faoetngiljanan, werd door de Amerikaanse onderzeeboot  Stingray op het eilandje Majoe afgezet. Men constateerde dat zich op Majoe geen Japanners bevonden. Men moest vlieg- en scheepsbewegingen doorgeven, alsmede weerrapporten.

Echter men kreeg geen contact met NEFIS, ook niet nadat een nieuwe radio was gedropt per parachute. Pas na een maand, toen de telegrafist door de meer ervaren Australische telegrafist Middleton was vervangen, die per motorboot gebracht werd, kreeg men nog dezelfde  dag contact met Comonitor. Het radio-contact was nu niet met Batchelor, maar met een inmiddels vooruitgeschoven door de NEFIS georganiseerde geallieerde verbindingscentrum op Morotai, wat Comonitor werd genoemd. Nu konden weerberichten en andere gegevens worden overgeseind.

Midden januari ’45 werd deze party door van een Japanse onderzeeboot afkomstige militairen aangevallen die evenwel hun actie niet doorzetten. Veiligheidshalve werd de party enkele dagen later met een Catalina vliegboot opgehaald. In een daarna gemaakt rapport is vermeld dat het station Comonitor op Morotai, wel enkele berichten had ontvangen, maar dat er van Pineneedle geen reactie terug was. Geadviseerd werd, dat er bij de telegrafistentraining meer aandacht besteed moest worden aan het werken met radio in een jungle-omgeving.

The 10th of September 1944:

Party Pineneedle led by sergeant major J.M. de Wit, existing out of 5 men, including telegraphist P. Faoetngiljanan, was put ashore on the island of Majoe, by the American submarine Stingray. It appeared, that there were no Japanese on the island. The mission was to report airplane and ship movement and weather conditions.

However, the telegraphist was not able to establish radio contact with NEFIS, even after a new radio was dropped by parachute. Only after a month, when a more experienced telegraphist, the Australian corporal Middleton was brought by motorboat, radio contact with Comonitor was established the same day. Weather reports and other information was transmitted. So this communication was no longer with Batchelor. Comonitor was a forward radio communication station, that followed the American offensive and was established by the NEFIS, on the island of Morotai.

Mid-January 1945, the party was attacked by Japanese troops that came off a Japanese submarine, however those were beaten off. However, for safety reasons, some days later, the party was picked up by a Catalina seaplane. In the report afterwards was mentioned, that the station Comonitor on Morotai had received the messages a few times, but there was no response from Pineneedle. Advised was, that the telegraphists should receive more training in the use of radio in jungle terrain.

USS Stingray (SS-186) off San Francisco, California, on 26 January 1944, following an overhaul. Photo # 19-N-63569.
By U.S.Navy – http://www.history.navy.mil/photos/images/n60000/n63569c.htmhttp://www.history.navy.mil/photos/images/n60000/n63569.jpg, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=7623484.

4 januari 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt met de NEFIS-opdracht om de Apricot-party op de N.O.-kust van Minahassa aan land te brengen. Deze party bestond uit 5 personen, waaronder de telegrafist korporaal Rumangkang. De party werd succesvol aan land gezet. De opdracht was om militaire info te verzamelen en contact te maken met guerrillagroepen, die in dat gebied werden vermoed.

Echter de leider van de party, sergeant Manoppo, maakte contact met de bevolking van een dorpje. Het dorpshoofd verraadde hem aan de Japanners, waarna deze hem doodden. De rest van de party rapporteerde dit per radio en werd daarna door een Catalinavliegboot geëvacueerd.

The 4th of January 1945:

Submarine Hr. Ms. K-XV leaves Australia, with the NEFIS-asignment to put the Apricot party ashore on the North-East coast of Minahassa. The party existed out of 5 persons , including the telegraphist corporal Rumangkang. The party came succesful on shore. The mission was to gather military intelligence and make contact with guerrilla groups, that were suspected to be still operational in Minahassa.

However the party leader sergeant Manoppo made contact with the population of a small village. Village chief betrayed him to the Japanese and he was killed. The remainder of the party reported this by radio and they were evacuated by seaplane.

A Consolidated PBY-5 Catalina maritime patrol flying boat or just called seaplane. Netherlands Institute for Military History (NIMH). Object no.  2158_012523.

1 februari 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt met de NEFIS Firtree party om deze op het eilandje Mangole in de Noord-Molukken af te zetten en de party Turnip II op het eilandje Nila in de Zuid-Molukken van voorraden te voorzien.

Echter party Firtree zag van de opdracht af, want men werd geacht om van Mangole met een prauw naar Ambon over te steken, echter uit lokale informatie bleek, dat de Japanners de prauwenvaart tussen de eilanden hadden gestopt en er dus geen prauw te vinden zou zijn. Daarna probeerde men het eiland Sapoera, echter men kreeg de indruk, dat de bevolking niet voldoende mee wilde werken. Dus de Firtree party ging onverrichterzake weer mee terug naar Australië.

The 1st of February 1945:

The submarine K-XV leaves Australia with NEFIS party Firtree to put these on the island Mangole in the Northern Molucca’s. And to supply party Turnip II, that was active on the island Nila in the south Molucca’s.

However party Firtree aborted the mission. They were supposed to get an indigenous proa on Mangole and sail with that to Ambon, but on Mangole they learned that the Japanese had halted the traffic of indigenous proa’s between the islands altogether, so on Mangole no proa could be found. Then they tried the  Sapura, but there the impression was that the inhabitant would not cooperate. So party Firtree went back to Australia, without any result.

Nederlands Nieuw-Guinea / Dutch Nieuw Guinea

Image by Google Earth, edited by Hugo Ouwerkerk.

De Jungle Pimpernel / The Jungle Pimpernel

Bij het uitbreken van de oorlog met Japan was bestuursambtenaar J.V. (Vic) De Bruijn werkzaam als controleur van het Binnenlands Bestuur (BB) op de bestuurspost Wisselmeren te Enarotali aan het Peniaimeer in het centrale bergland van Nieuw-Guinea. Hij ontving opdracht om in het geval van een Japanse bezetting, zich in het binnenland te handhaven.

Hij beschikte over een radiozendontvanger en kreeg contact met het uitgeweken Nederlands bestuur in Australië. In Juni 1942 bracht kapitein S.H. Spoor met de Dornier vliegboot X-24 van de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) een bezoek aan de bestuurspost.

Op 23 juli 1942 werd met hetzelfde vliegtuig de bestuurspost bevoorraad en ging Dr. De Bruijn mee voor overleg met de Nederlands-Indische Commissie in Australië, waar bleek dat de  inlichtingendienst de bestuurspost als inlichtingencentrum wilde handhaven. Toch kostte het nog moeite om naast postduiven nog twee radiozendontvangers mee te krijgen.

Bij gebrek aan vliegtuigen kon Dr. De Bruijn pas op 16 november 1942 worden teruggevlogen. Bij de bestuurspost had Dr. De Bruijn een groep medewerkers, onder wie een sergeant-radiotelegrafist, een korporaal, zes Indonesiërs en twintig Papoea’s. Hij zette zijn bestuurswerk voort en zond patrouilles uit om militaire gegevens te verzamelen.

Via handelaren en vissers verkreeg men ook gegevens over andere eilanden in de Grote Oost. Deze gegevens en ook weerberichten die voor de Geallieerde luchtmacht van grote betekenis waren, werden met de zendontvanger via Batchelor doorgegeven aan de Nederlandse inlichtingendienst, die rapporteerde aan het GHQ.

At the outbreak of war with Japan, the civil servant J.V. (Vic) De Bruijn was employed as controller for the Domestic Administration on the post Wisselmeren in Enarotali on the Peniai lake in the central mountain area of New Guinea.  He received the order to hold out in the interior in case of a Japanese occupation.

He had a radio receiver-transmitter and he got in contact with the Dutch authorities in Australia. In June 1942 Captain S.H. Spoor visited him at his administration post by means of the Dutch Navy X-24 Dornier seaplane .

The 23rd of July 1942 the same seaplane returned with supplies  and Dr. De Bruijn went with it to a meeting with the Dutch East Indies Committee in Australia, were he was informed that they wanted to maintain his post as an intelligence centre. Despite this it costed a lot of effort to get with him not only carrier pigeons, but also two radio sets.

Due to shortage of planes, Dr. De Bruijn was flown back as late as the 16th of November 1942. At his administration post Dr. De Bruijn had a group of co-workers, that included a sergeant radio telegraphist, a corporal, 6 Indonesians and 20 Papua’s. He continued his civil administration work and did send out patrols to gather military intelligence.
Via traders and fishermen they got also information from other islands in the Great East. This information together with weather reports that were of interest for the Airforces, were transmitted to Batchelor, that forwarded it to the Dutch Intelligence Service, which reported to the GHQ.

Dr. de Bruijn, with his Moluccan  field police and friendly Mountain Papua’s on patrol in 1941. By Unknown Australian Official Photographer – https://www.awm.gov.au/alliesinadversity/australia/nefis.asp, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=84630437.

Echter via de Berg-Papoea’s, die geen notie van oorlog hadden (zij gaven medewerking aan iedereen, die mooie dingen gaf) kwamen de Japanners aan de zuidkust te weten, dat er bij de Wisselmeren wat aan de hand was. In april 1943 volgden er luchtverkenningen en in mei werd de omgeving van de Wisselmeren door de Japanners bezet.

Vlak voor die Japanse bezetting kwam op verzoek op 23 mei 1943 een vliegtuig voor een gedeeltelijke evacuatie van de mensen van de bestuurspost naar Australië. Dit vliegtuig was de MLD Catalina vliegboot Y-45. Verbazend is, dat zelfs de OBSO, schout-bij-nacht P. Koenraad meekwam, terwijl toen bekend was, dat een vlucht naar de bestuurspost, een riskante onderneming was geworden, vanwege het opdringen van de Japanners en door het gereedkomen van een Japans vliegveld bij Kaukenau, waar jagers werden gestationeerd.

Hierdoor kon de groep ook niet meer vanuit de lucht bevoorraad worden. Daarom kreeg Dr. De Bruijn de keuze blijven, of meegaan. Hij koos voor blijven. Men verwoestte Enarotali en week uit naar een inmiddels verder in de jungle gemaakt bivak, Margrietdorp genoemd naar het pas geboren prinsesje. Zo lukte het uit handen van de Japanners te blijven, die negen dagen later bij de smeulende resten van Enarotali verschenen.

De groep van Dr. De Bruijn kreeg nu de NEFIS-codenaam Oaktree. In Margrietdorp was ook het radiostation gevestigd, wat werd bediend door korporaal telegrafist R. Gout. Er werd ook een z.g. lijfgarde gevormd, bestaande uit ca. 30 betrouwbare Papoea’s, die verkennings- en beveiligingsdiensten verrichten. Er werd nog een tweede bivak ingericht en de groep over de bivaks verdeeld. Later trok de groep verder naar het oosten, om uit handen van de Japanners te blijven.

Echter tijdens een verplaatsing in juni 1943 hadden de Papoea-dragers de accu’s van de NEI-set op zijn kop vervoerd, waardoor de accu’s waren leeggelopen. Men had echter nog een voorraad droge batterijen bij zich, die door telegrafist Gout met elkaar werden verbonden. Hierdoor kon nog net verbinding met Batchelor worden verkregen. Men sprak een evacuatielocatie af, indien de radioverbinding niet meer mogelijk zou zijn en hoopte intussen op nieuwe accu’s bij een dropping van voorraden. Die voorraden werden pas op 6 september 1943 afgeworpen, waaronder nieuwe radioapparatuur, die deels beschadigd raakte doordat een deel van de parachutes niet open ging.

Ook zaten er nieuwe accu’s bij, echter zonder accuzuur. De bevoorrading door de NEFIS was ook bij andere parties al slordig gebleken en was dus nog steeds niet op orde. Een zeer slechte zaak voor de mensen in het veld, die hun leven waagden! Toch lukte het om met de al aanwezige en met de beschadigde radio-apparatuur twee bivaks met een radiopost in te richten. Een bivak bij Oeitapa, waar telegrafist Gout de verbinding met Batchelor onderhield met de NEI-set en een bivak in Bilorai waar Dr. De Bruijn zich bevond met een Australische ATR4A radio set.

However via the Mountain-Papua’s that had no understanding of the war (the supported anyone who gave nice things), the Japanese at the south coast came to know, that there was something going on in the Wisselmeren area. In April 1943 they made air recognisance flights over the area and May 1943 the Wisselmeren area was occupied by the Japanese.

Just before that the evacuation of a part of the group, mostly civilians, was requested and granted. On the 23rd of May 1943, the Dutch Navy seaplane Y-45 came for this evacuation. At that time it was already known, that this would be a risky flight, because the Japanese had just completed a new airfield at Kaukenau and stationed fighters there. With this knowledge it is the more amazing that with this flight the OBSO (Under Commander of the Dutch Forces in the East) rear admiral P. Koenraad came to discuss with Dr. De Bruijn the plans how to proceed further with the remaining guerrilla group.

Due to the increasing air activity of the Japanese, it would be no longer possible to bring supplies to the guerrilla group. Therefore the OBSO gave Dr. De Bruijn the choice to evacuate, or to stay. He chose to stay. They burned down Enarotali and moved to a camp in the jungle that had been made ready in the meantime and was called Margriet village, after the last born princess of Orange. In that way they stayed out of the hands of the Japanese that arrived nine day later in the still smouldering remains of Enarotali.

The group De Bruijn had now been given the NEFIS code name Oaktree. In Margriet village, also the radio station was installed, that was operated by telegraphist R. Gout. There was also a so called “bodyguard” formed, out of some 30 reliable Papua’s that actually protected the group against a Japanese raid, by performing safety and recognisance patrols. There was also a second camp made and the group was divided over those two camps. Later the group moved even further east to stay out of the hands of the Japanese.

However, during a move in June 1943 the Papua carriers had accidentally transported the wet batteries of the NEI-set upside down, causing the battery acid leaking away. But they still had some stock of dry batteries, that were connected together by telegraphist Gout. This enabled him to reach Batchelor only just. They agreed an evacuation location, in case the radio connection was no longer possible and hoped for a possibility to drop new supplies, including wet batteries. It lasted to the 6th of September 1943 before a dropping could be made. This dropping included also new radio equipment that was partly damaged because some parachutes did not open.

It included also new wet batteries, that stayed quite dry, because the much needed acid was not with the supplies. Long before this, it was noted, that the supply of the NEFIS parties was quite messy and now this was still not solved. A very bad thing for the people in the field who risked their lives! Still the group managed with the equipment already there, combined with the damaged equipment to erect two camps with each a working radio station. One camp was at Oeitapa were telegraphist Gout had a the NEI-set that could reach Batchelor. And in the other camp near Bilorai was  Dr. De Bruijn with an ATR4A radio set.

ATR4A. https://www.qsl.net/vk2dym/radio/ATR4.htm.

Eind oktober en november 1943 waren er nog drie droppings, waardoor de voorraden weer op orde kwamen. De Japanners gaven bijlen weg indien Papoea’s inlichting wilden verschaffen over de verblijfplaats van de guerrilla’s. Een bijl was voor de Papoea’s een zeer gewild artikel. Er kwamen dan ook Papoea’s naar de bivakken van Oaktree om voor de Japanners inlichten te verkrijgen.

Als straf beloofde Dr. De Jong, dat er gebombardeerd zou worden. Dit om tegenover de Papoea’s te laten zien dat hij nog steeds machtig was en men niet ongestraft de vijand mocht helpen. Er zijn toen inderdaad bombardementen uitgevoerd op het Wisselmerengebied door o.a B-25 bommenwerpers van het 18e KNIL Militaire Luchtvaar (ML) squadron en met het gewenste resultaat.

At the end of October and in November there were three air droppings of supplies that recovered the poor supply situation. The Japanese tried to find out the location of the guerrilla’s camps by giving an axe to each Papua, that could give useful information. Axes were a much wanted item for the Papua’s so several came to the camps, to spy for the Japanese.

As punishment Dr. De Jong told the Papua’s, that those who did help the Japanese would be bombed. This was meant to be a show of force, of which was expected that the Papua’s would follow the strongest party. And indeed some bombing was done in the Wisselmeren area by B-25 bombers of the 18th squadron of the KNIL Military Air Wing. This had the expected result.

A group of B-25 Mitchell bombers of No 18 Squadron, of the KNIL Air wing, flying over the Australian landscape on their way south. Photo collection of the Australian War Memorial. Accession Number 064755, Photograph by Martin, David Stone on14 February 1944.

Weer als gevolg van geblunder met de materieelvoorziening, gedoe in de operationele en hogere leiding binnen NEFIS, gebrek aan transportmiddelen en ondanks aandringen van het GHQ, werd party Crayfish in plaats van op 17 mei 1943 pas op 26 februari 1944 met een Amerikaanse Liberator naar party Oaktree overgevlogen en per parachute gedropt.

De originele opdracht was dan wel gewijzigd, het was echter ook te laat voor uitvoering van de nieuwe opdracht, die al werd ingehaald door het Amerikaanse offensief op de noordkust van Nieuw-Guinea. Het GHQ had niet voor niets op spoed aangedrongen, want het Amerikaanse offensief ging snel en de verkenningen waren bedoeld als voorbereiding voor dat offensief.

Crayfish zou moeten verkennen richting Geelvinkbaai aan de noordkust van Nieuw-Guinea, waar een Japans Marinesteunpunt was. Echter door de landing van de Amerikanen bij Hollandia, trokken de Japanners door de jungle naar het westen, waardoor die verkenning niet meer mogelijk was. Hierdoor en mede door de ziekte van telegrafist Gout, die al geruime tijd aan een maagzweer leed, werd besloten om beide parties te evacueren.

Dit werd een redelijke omvangrijke operatie, genaamd Riverstone, waar voor de parties enige tijd voorbereiding nodig was en Dr. De Bruijn een moeilijke tocht ondernam om een bivak in te richten bij het Hagermeer, vanaf dat meer zou de evacuatie plaats vinden. Crayfish beschikte ook over een ATR4A radio en zo werd tussen drie bivakken onderling radiocontact gehouden en tussen één bivak en NEFIS III.

Op 26 juli landden twee Catalina’s van de MLD op het Hagermeer, onder dekking van een B-25 van de ML en werd de hele groep bestaande uit 11 man van Oaktree, 4 van Crayfish en 28 Bergpapoea’s, afgevoerd naar Australië. Op 15 augustus 1944 verscheen er over de verrichtingen van de groep van Dr. De Bruijn waarin hij de “illusive Jungle Pimpernel” werd genoemd en zo werd een legende geboren.

Due to more blundering during the material organisation of party Crayfish and hassle in the higher command, this party that was supposed to gather intelligence in preparation of the American offensive on the north coast of Dutch New Guinea, was postponed despite the urging of the GHQ. Instead of on the 17th of May 1943 the party was finally dropped by an American Liberator above the area of party Oaktree on the 26th Februayi 1944.

The party was supposed to proceed from the camps of Oaktree in the direction of the north coast to do some recognisance on the Japanese Navy stronghold at Geelvink bay. However due to the late arrival and the difficulties to get through the dense jungle and over the mountain range to get to the north coast area, they were overtaken by the American offensive. These landed at Hollandia, causing the Japanese to flee in large groups  into the jungle and moving west, cutting off the party that was moving north.


Due to this and telegraphist Gout being very ill for some time now as result of an stomach ulcer, it was decided that it was time to evacuate both Oaktree and Crayfish. This was a large operation called Riverstone, taking some time of preparation by the parties. Dr. De Bruijn made a long voyage through the jungle to make a camp near the Hager lake, from which they would be picked up. During this time radio contact was maintained between the three groups. Dr. De Bruijn had taken a ATR4A with him, Crayfish had also an ATR4A and the group with telegraphist Gout was using the NEI-set, that was also used for contact with the NEFIS III.

On the 26th of July 1944, two Catalina’s of the Dutch Navy landed on the Hager lake under cover of a B-25 of the KNIL 18th squadron. The whole group was transported to Australia, being 11 men of Oaktree, 4 men of Crayfish and 28 Mountain Papua’s of the “bodyguard”. On the 15th of August there was an article in the newspapers about the group of Dr De Bruijn in which he was called the “illusive Jungle Pimpernel” and so a legend was born.

7 juli 1942:

Toen kwam een party zonder codenaam varende met een schoener aan op het eiland Dobo van de Aroe-eilanden. De party bestond uit de Australische kapitein  C.R. Sheldon en de Deen N.P. Mosterd, zij verzamelden wat lokale gegevens en vertrokken weer 31 juli 1942. Daarna startte operatie Plover, de bezetting met KNIL-troepen van de eilanden Dobo, Toeal van de Kai-eilanden en Saumlaki van de Tanibar-eilanden.  Echter die werden al snel weer verdreven door de Japanners.

On the 7th of July 1942:

A party without code name sailed with a schooner to the island Dobo, part of the Aru group of islands. The party was existed out of two persons; the Australian Captain C.R. Sheldon and the Danish Mr. N.P. Mosterd. The gathered some local information and left on the 31st of July. After that, operation Plover was started, being the occupation of the islands Dobo, Tual of the group Kau-islands and Saumlaki of the Tanibar group, by KNIL forces. However they were soon driven off again by the Japanese.


Midden december 1942:

In verband met een Amerikaanse offensief richting west op de Noordkust van New Guinea wilde men weten hoe sterk de Japanners waren in het gebied van Hollandia en Wewak. Hiervoor werden twee parties gevormd, Locust een Australische party, met telegraphist sergeant Leslie Baillie en Whiting de Nederlandse party. Het was de bedoeling om de parties vanuit Port Moresby op Australisch Nieuw Guinea per vliegtuig te brengen naar een punt op de noordkust van Nieuw Guinea, ca. 80 km ten noordoosten van Hollandia.

Mid December 1942:

In view of the planned American offensive on the North Coast of New Guinea, they needed to know, how strong the Japanese were in the areas of Wewak and Hollandia. To find out, two parties would be send; the Australian party Locust and the Dutch party Whiting. The plan was, to bring the parties with an airplane to a point 80 km south-east of Hollandia.

THE LOCUST PARTY, LEFT TO RIGHT: LIEUTENANT (LT) H. A. J. FRYER, LEADER OF LOCUST PARTY; SERGEANT LES BAILLIE, WIRELESS OPERATOR; RAY AH SOONG (WHOSE REAL NAME WAS CHOW CHEN ON); LT HARRY AIKEN; LT GUY BLACK.
Photo collection of the Australian War Memorial. Accession Number P01708.006.

Echter het bleek dat de Japanse luchtmacht inmiddels te sterk was aan de noordkust van Nieuw Guinea. Men kon de mannen per vliegboot naar Bena Bena brengen, op 670 km (in een rechte lijn) van Hollandia. Dus men zou nog veel meer lopend door het oerwoud af moeten leggen, omdat dit natuurlijk niet in een rechte lijn mogelijk is door een oerwoud, doorsneden door vele rivieren, moerassen en hoge bergketens. Het werd uiteindelijk meer dan 1000 km Het was een onmogelijke opdracht, die toch door allebei de parties werd aanvaard.

However the Japanese air activity appeared to be too strong for such an action. Due to this, the men were brought to Beba Bena a point at 670 km in a straight line from Hollandia, that meant that they had to undertake a journey through dense jungle, crossing rivers, large swamps and mountain ranges, a travel distance that was on the ground more than 1000 km. It was an impossible mission and still those man accepted this mission.

1943-08-13. LIEUTENANT GUY BLACK (LEFT) AND LIEUTENANT HARRY AIKEN, `LOCUST’ PARTY, WATCH LOCAL HIGHLAND NATIVES DRYING SAGO, A WELCOME SOURCE OF FOOD AS RATIONS WERE IN SHORT SUPPLY. (PHOTO DONOR L. BAILLIE). Photo collection of the Australian War Memorial. Accession Number P01708.010.

Uiteindelijk begonnen zij 21 januari 1943 aan hun tocht. Na een lange tocht gezamenlijk werd bij Lumi een basiskamp gemaakt en ging party Whiting door richting Hollandia. De Nederlandse party bestond in het begin uit sergeant H.M. Staverman, Sergeant telegraphist Len Siffleet, die van Nederlandse afkomst was, korporaal D.J. Topman, twee Ambonese soldaten, H. Pattiwal en M. Reharing, echter na de eerste twee weken was de korporaal teruggegaan. Op 15 september bereikte de party van Staverman de grens en trok Nederlands Nieuw Guinea in.

Finally they started on the 21st of January 1943 with their journey. After a long journey they made a base camp at Lumi and from there the party Whiting went on in the direction of Hollandia. In the beginning the Dutch party Whiting existed out of sergeant H.M. Staverman, Sergeant telegraphist Len Siffleet, who was of Dutch descent, Corporal D.J. Topman and two Ambonese privates, H. Pattiwal and M. Reharing, however after just the first two weeks the Corporal had left and gone back. On the 15th of September Whiting crossed the border into Dutch New Guinea.

LUMI, NEW GUINEA, 1943-07-09. GROUP PORTRAIT OF MEMBERS, WITH NATIVE GUERRILLA TROOPS AT LUMI, ABOUT 50 KILOMETRES SOUTH OF AITAPE. LEFT TO RIGHT (STANDING): SERGEANT (SGT) H.N. STAVERMAN; SGT LEN SIFFLEET; RAY AH SOONG (WHOSE REAL NAME WAS CHOW CHEN ON); PRIVATE PATIWAHL; SGT LES BAILLIE; LIEUTENANT (LT) GUY BLACK. THE NAMES OF THE NATIVE TROOPS ARE NOT KNOWN. THE MAN SQUATTING AT FAR RIGHT IS LT HARRY AIKEN. NOT INCLUDED ARE LT H. A. J. FRYER (THE PHOTOGRAPHER) AND PRIVATE REHARIN. Photo collection of the Australian War Memorial. Accession Number P01708.004.

Onderweg had de party regelmatig radiocontact gehad en wat gegevens doorgegeven betreffende de omgeving waar men op deze enorme tocht doorheen kwam. De Japanners hadden van de Papoea’s gehoord dat de party naderde en bij het plaatsje Nemo, ca. 50 km ten zuidoosten van Hollandia vielen Staverman en Pattiwal in een hinderlaag. Staverman sneuvelde, terwijl Pattiwal zich weer bij de Len Siffleet en Reharing kon voegen.

The party had regular radio contact, reporting some local information of the places they were passing through on their long journey. However the Japanese were informed by the Papua’s of the party approaching. Near Nemo at about 50 km south-east from Hollandia, Staverman and Pattiwal, that were on a forward recognisance patrol, were ambushed. Staverman was killed and Pattiwal escaped and was able to join Siffleet an Reharing.

LUMI, NEW GUINEA. 1943-07. SERGEANT LESLIE J. BAILLIE, CHARGING A BATTERY FROM A GENERATOR. (PHOTO DONOR L. BAILLIE). Photo collection of the Australian War Memorial. Accession Number P01708.008.

Echter zij moesten vluchten. De zender, die te zwaar was om op de vlucht mee te nemen werd na een laatste contact met Locust begraven. Echter het mocht niet baten, want enkele weken later werden ze gevangengenomen door Papoea’s en aan de Japanners uitgeleverd. De gevangen party-leden werden onthoofd. Hieronder de verschrikkelijke foto’s van deze executies, die onze mensen van vele parties hebben moeten ondergaan. Eén van de Japanners lacht er zelfs om.

However, they had to flee. After a last radio contact with Locust, the radio set was buried, because it was too heavy to carry on the run. It appeared in vain, because after two weeks they were captured by Papua’s and brought to the Japanese. Then they were beheaded. Below are the terrible pictures of this beheading. A barbaric act that many of our people had to undergo. One of the Japanese is even smiling.

The execution of KNIL private M. Raharing. Photogaph:: By Unknown Japanese soldier. – This tag does not indicate the copyright status of the attached work. A normal copyright tag is still required. See Commons:Licensing for more information., Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=78377157

The execution of sergeant telegraphist Leonard G. Sifflet. Photograph: By Unknown photographer – This tag does not indicate the copyright status of the attached work. A normal copyright tag is still required. See Commons: Licensing for more information., Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4446160

These pictures are in the public domain and publiced many times. They are placed here to give a feel of the brutal uncivilised behaviour of the Japanese at the time. It also shows the last moment of our brave men.

Februari 1943:

Toen werd een party Walnut I naar de Aroe-eilanden gestuurd, bestaande uit 3 Australische soldaten. De leider major C.R. Sheldon was daar bekend, want hij had daar een kokospalmonderneming gehad. Deze party vertrok varend, met een schoener en had een radiozendontvanger bij zich. De opdracht was om een spionagecentrum te vormen en eilanders tot sabotage-acties te bewegen en eventueel later algemene opstand.

Men ontving per radio bericht van deze party, dat de eilandbewoners zich vijandig gedroegen. Uit latere berichten bleek, dat de schuilplaatsen van de party aan de Japanners waren doorgegeven. Na 8 maart 1943 werden er geen berichten meer ontvangen. Later bleek dat de party door de Japanners was gevangengenomen en geëxecuteerd.

February 1943:

Then party Walnut 1 was send to the Aru islands. This party existed out of 3 Australians. The leader, Major C.R. Sheldon did know these islands, he did have a coconut company on these islands. The party sailed to the islands with a schooner and they were equipped with a radio set. The mission was to set up a spy-centre at island and activate inhabitants to sabotage actions and eventually a general revolt against the Japanese.

However the party reported by radio that the inhabitants were acted hostile. Out of later reports appeared, that the inhabitants had made known to the Japanese, the hide-outs of the party. After the 8th of March 1943, no more messages were received. Later became known, that the party was arrested and executed by the Japanese.

Eind juni 1943:

Toen werd Walnut II naar de Aroe-eilanden gezonden. De leider van de party was een Deense parelvisser en bestond verder uit een Nederlandse sergeant, 5 inlandse soldaten, een Australische marconist, een Australische sergeant en een Britse Indiër. Men voer met een logger naar de meest zuidelijke van de eilanden. Eind juli werd van deze party het laatste radiobericht ontvangen. Ment neemt aan, dat de gehele party door de Japanner gevangen is genomen en geëxecuteerd.

End of June 1943:

The Walnut II was send to the Aru islands. The leader of this party was a Danish pearl fisherman and had a Dutch sergeant, an Australian telegraphist, an Australian sergeant and a British Indies soldier. They sailed with a Lugger (wooden fishing boat) to the most southerly island. At the end of July, the last radio message was received. Assumed is that the party was captured by the Japanese and executed.


18 juli 1943:

Party Asparagus werd naar Tahnamerah gestuurd, wat nog in Nederlandse handen was. De party bestond uit 7 man, de leider was sergeant H.P. Swart en had nog een andere sergeant, D.L. Schram, een ex Timor-guerrilla. De party begon met patrouilles en het aanleggen van opslagplaatsen in het omliggende gebied.

Er was de verwachting, dat de Japanners Tahnamerah zouden innemen. De party moest dan het binnenland intrekken en per radio informatie verstrekken, samen met de bestuursambtenaar, een aanwezig detachement KNIL en inlandse helpers. Dus naar voorbeeld van de groep van Dr. De Jong. Echter de Japanse dreiging was eind oktober over en de party werd teruggehaald.

The 18th of Juli 1943:

Party Asparagus was send to Tahnamerah that was still under Dutch control. The party had 7 men, the leader was sergeant H.P. Swart and it had also another sergeant, D.L. Schram who was an ex Timor guerrilla. The expectation was that the Japanese would occupied Tahnamerah soon. The mission was, select a part of the local field police force and move together with the local civil servant into the jungle to start a guerrilla war, as soon as the Japanese would arrive.

This to the example of Dr. De Jong. The party started patrolling the area, starting friendly relations with the indigenous people and making hidden stocks of supplies in de surroundings. Later also a KNIL-detachment was send. However the Japanese threat ended in October and the party was taken back.

Areas of operation of the parties Swart, Trout I and Trout II. Fragment of map Steamboat connections in Netherlands New Guinea (1915). Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=926829. Edited by Hugo Ouwerkerk.

Augustus 1943:

Een party onder leiding van adelborst H. P. Swart met een Nederlandse marconist en 8 inheemsen van de Veldpolitie, doet van Boven-Digoel uit verkenningen in noordelijke richting.

August 1943

A party headed by midshipsman H.P. Swart (again) with a Dutch telegraphist and 8 natives of the Field Police make recognisance patrols from Upper-Digul in northerly direction.

29 september 1943:

Party Trout I bestaande uit de sergeant A. J. Tol, de marconist W.F. Schenau, 7 inheemsen en een Papoea-gids, doen met een logger van Merauke uit een verkenning in noordwestelijke richting die enige nuttige gegevens opleverde.

The 29th of September 1943:

Party Trout I existing out of sergeant A.J. Tol, telegraphist W.F. Schenau, 7 natives and a Papua guide leave from Merauke with a lugger. They made recognisance patrols up-river in northerly direction and brought back some useful information.

16 Februari 1944:

Party Trout II bestaande uit de sergeant A. J. Tol, de marconist W.F. Schenau en 4 Indonesiërs ondernemen weer een tocht naar het noordwesten, echter door motorpech kon het belangrijkste verkenningsdoel niet worden bereikt.

The 16th of February 1944:

Party Trout II, again existing out of sergeant A.J. Tol, telegraphist W.F. Schenau and 4 natives sail to the north-west, however due to engine failure, they fail to reach their main recognisance objective.

Area of operation of parties Bulldozer, Interlude, Carrot and Shark. Fragment of map Steamboat connections in Netherlands New Guinea (1915). Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=926829. Edited by Hugo Ouwerkerk.

Februari 1944:

Onder de codenaam Bulldozer werd een bivak aan de Idenburg-rivier opgericht, bemand door 70 KNIL-militaren, onder bevel van commandant van Eechoud. Van hieruit zouden de NEFIS parties Carrot, en Shark naar hun operatiegebieden bij de noordkust trekken, want zij moesten inlichtingen verzamelen ter ondersteuning van het Amerikaanse offensief, wat zich langs de noordkust voltrok van west naar oost.

Echter hun kaartmateriaal had onvoldoende detail en witte vlekken. Ook hadden zij geen goede luchtfoto’s meegekregen, terwijl precieze navigatie belangrijk was i.v.m. de bevoorrading door middel van vliegtuigdroppings onderweg. Dus men weigerde op pad te gaan.

Dat was de aanleiding tot party Interlude, die bestond uit één man; kapitein Van der Veen, die de parties en nog een Australische party, die met hem meekwam, over de bergketens naar Lereh moest brengen. Dit ligt 100 km ten zuidoosten van Hollandia en was een goed uitgangspunt voor de parties. Echter in Merauke aangekomen besloot kapitein Van der Veen in overleg met NEFIS III om de parties per vliegboot naar Van Reesmeer te brengen.

21 maart 1944 komt kapitein Van der Veen met de Australische party in het Bulldozer-bivak aan. Daar arriveerde ook nog een radio-relay-groep van het AIB, die de verbinding tussen de Australisch party en het GHQ moest verzorgen. 22 maart 1942 werden de parties  met 2 Catalina-vliegboten naar het Van Reesmeer gevlogen en daar afgezet. De omgeving bleek een groot moeras te zijn en pas na 3 dagen lopen bereikten zij vaste grond.

Men trok naar Lereh en daarna noordwaarts, waarbij de parties hun best deden om snel voorwaarts te komen, om de opdracht uit te voeren, maar in  het zware jungleterrein was de vordering maar 10 km per dag en men kwam af en toe in gevecht met de Japanners.

Op 21 mei ontmoetten zij een Amerikaanse voorhoede, die na de landing bij Hollandia het oerwoud was ingetrokken. De Australische party heeft nooit zijn werkelijke opdracht duidelijk gemaakt. Zij liepen mee met de Nederlanders, maar maakten apart kamp naast het Nederlandse kamp. Dit was heel vreemd, maar het waren aardige kerels dus men bleef vriendelijk.

Telegrafist D. Schram meldde dat hij tijdens deze tocht geen contact kon krijgen met Bulldozer maar wel rechtstreeks en goed met Merauke. Dit was ook weer een effect van radiopropagatie en afstand. De leiding van de operatie zat in Merauke, dus voor de opdracht was het niet nadelig, echter het basiskamp Bulldozer had daardoor zijn nut verloren. Het gedoe, vooral van de hogere leiding, vanwege de ongeschikte kaarten en het niet op tijd beschikbaar hebben van luchtfoto’s, had dus te lang geduurd. Dit maakte de hele operatie en vooral de inspanning die de mannen in de jungle deden, nutteloos, men was ingehaald door het Amerikaanse offensief.

February 1944:

Under the code name Bulldozer at the Idenburg river, just north of the central mountain range in Dutch New Guinea, a camp was erected, manned by 70 KNIL soldiers under Commander Van Echoud. From this camp the NEFIS parties Carrot and Shark would walk through the jungle to their area of operation at the north shore and collect military intelligence in support of the coming American offensive along the north shore of Dutch New Guinea.

However the map that they had for this purpose did not have sufficient detail to navigate through the jungle and it had also a lot of white spots. Normally this was supplemented by photo recognisance. But the aerial photographs they had been given were not very useable either. Precise navigation was needed, because they would be supplied by airdropping’s along the way. So the parties decided to refuse to go before the available navigation material was improved.

This was the reason to start party Interlude, that was a one person party; Captain Van der Veen. Also an Australian party came with him. He should bring all three parties over a mountain range and further on to Lereh. This place is 100 km south-east of Hollandia and would be a good starting point for the operations of the parties. Flown over from Australia to Merauke, Captain Van der Veen had a meeting with the forward section of NEFIS-III and they decided that it would be better, to fly the parties the first stretch to the Van Rees lake.

The 21th of March 1944, Captain Van der Veen arrives with the Australian party in camp Bulldozer. There also arrived a radio-relay group of the AIB, that would take care of a radio connection between the Australian party and GHQ. On the 22nd of March 1942 the parties were flown to the Van Rees lake with two Catalina’s. The surrounding of the lake appeared to be a gigantic swamp ant it took 3 days of wading to reach solid ground.
They went to Lereh and from there to the north. The parties did their very best to get forward as quick as possible, to be able to carry out their mission, but due to the heavy jungle terrain their progress was only 10 km each day and now and then there were fights with the Japanese.

On the 21st of May they met-up with an American vanguard, that had gone into the jungle after the American landing at Hollandia. The Australian party never revealed their true mission to the Dutch, the just tagged along with the Dutch parties, but made their camps separate next to that of the Dutch parties. It was very strange, but they were nice guys so everybody stayed friendly.

Telegraphist D. Schram reported “that during this journey through the jungle, he was not able to make radio contact with Bulldozer, but that direct contact with Merauke worked very well”. This was again an effect of the radio propagation conditions in relation to the distance. The operational control of these missions was situated at NEFIS III forward station in Merauke, so in this case it did not influence the operation in a negative way.

However the basecamp had not been of much use. Again the hassle at the higher command with the unsuitable maps and not being able to provide something better fast enough. It had taken too much time, making the whole effort, especially by the men in the jungle, useless, because the operation was overtaken by the speed of the American offensive.

Timor, Damar eilanden, Zuid-Molukken / Timor, Damar islands, South Mollucca’s

Covert actions on the small islands and on Timor. Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication. Edited by Hugo Ouwerkerk.

26 maart 1944:

Operatie Turnip I. Drie parties worden met Catalina-vliegboten naar Nila overgevlogen, onder dekking van twee Royal Australian Air Force (RAAF) Beaufighter jachtbommenwerpers. Eén party bestaande uit de Indonesische sergeant-marconist B. F. Pejoh en een Indonesische soldaat.

Zij moesten op het eiland een permanente inlichtingen-organisatie in gang zetten, waarbij inlandse prauwenvaarders voor de berichten zouden moeten zorgen. In eerste instantie was de merkwaardige afspraak om 1x per week uit te luisteren en dat na een oproep van het NEFIS III – station (Batchelor) de berichten konden worden doorgegeven.

De andere party geleid door Van der Star, met De Haas, vertaler Frans Lipei en 4 Indonesische militairen had als opdracht om van Nila naar Seroea te gaan en daar vrijwilligers aan te werven voor militaire dienst, indien geschikt bij Nefis III. Daarnaast was er nog een derde party, een Australische Felo (Far Eastern Liaison Office) propaganda-party. De bedoeling was, om van Nila een vast inlichtingensteunpunt te maken.

Men werd door de bevolking hartelijk ontvangen. Echter na een gevecht met een door de Japanners van wapens voorziene prauw, die kon ontkomen, werd het plan uitgesteld en de 1e Nederlandse- en de Australische party opgehaald. De Haas was inmiddels naar Seroea gegaan, werd ook daar hartelijk ontvangen en kreeg wel vijftig vrijwilligers los.

The 26th of March 1944:

For operation Turnip I two Catalina’s flew three parties to the island of Nila, under cover of two Beaufighters from the Royal Australian Air Force (RAAF). One party existed out of the native sergeant telegraphist B.F. Pejoh and a native soldier.

They should establish a permanent intelligence organisation on the island for which the indigenous proa traffic between the island should supply the information. For radio contact, at first there was a strange agreement. They had to listen once per week for a call from the station at Batchelor. Only if Batchelor gave that call, then it was allowed to transmit their report.

The second party existed out of naval lieutenant second class C.C. van der Star, adjutant petty officer H.J. de Haas, interpreter Frans Liptei and 4 native soldiers. The mission was, that Van der Star, de Haas and the native soldiers would go to the island Serua, to recruit volunteers for military service and if approved for NEFIS III. Then there was the third party, this was an Australian FELO-party (Far Eastern Liaison Office), this was a propaganda unit.

They were warmly received by the population, however after a fight with a hostile and armed indigenous proa, that managed to escape the operation was postponed. The firs Dutch party and the Australian party both on Nola were evacuated. The party De Haas was already on Serua. He was also warmly received and did get 50 volunteers.

31 juli 1944:

Operatie Turnip II. Er gingen nu weer twee parties naar Nila, men kreeg wel 180 vrijwilligers en één party werd weer teruggevlogen. De vrijwilligers werden bewapend en die hebben drie kleine Japanse landingspogingen afgeslagen. Door inlichtingen van de bemanningen van de prauwenvaart tussen de eilanden, verkreeg men nuttige inlichtingen, over de Japanse activiteiten op de Damar eilanden, de Molukken en Timor.

The 31st of July 1944:

OThe 31st of July 1944. Operation Turnip II. Again two parties were send to the island of Nila. This time they did get 180 volunteers and one of the parties was flown back. The volunteers were armed and three Japanese landing attempts were repulsed. From the traffic of indigenous proa’s between the islands, they got useful information about the Japanese activities on the Damar islands, the Molucca’s and Timor.

Nila Island, northern coast. Door Rizal (Volcanological Survey of Indonesia) – http://www.volcano.si.edu/world/volcano.cfm?vnum=0605-06=&volpage=photos&photo=063049, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11017701.

1 februari 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt met de NEFIS Firtree party om deze op het eilandje Mangole in de Noord-Molukken af te zetten en de party Turnip II op het eilandje Nila in de Zuid-Molukken van voorraden te voorzien. Het bevoorraden van Turnip II ging goed. Betreffende party Firtree, zie de acties de kaart Celebes – Halmaheira – Noordelijke Molukken – West Nieuw-Guinea.

The 1st of Februari 1945:

Submarine Hr. Ms. K-XV leaves Australia to drop off the NEFIS party Firtree on the island Mangole of the North-Molucca’s and to bring supplies to party Turnip II on the South-Molucca’s. The supply of Turnip II went well. For party Firtree see their story under the chart of Celebes – Halmaheira – North-Molucca’s – West New-Guinea.

17 mei 1945:

Een Secret Intelligence Australia (SIA) party op het eilandje Seroea wordt vervangen door een KNIL-detachement van 8 man en de NEFIS III telegrafist Patta.

The 17th of May 1945:

A Secret Intelligence Australia (SIA) party on the island of Serua is replaced by a detachment of the KNIL of 8 men and the NEFIS III telegraphist Patta.

11 juni 1945:

In die tijd hadden de Amerikanen de Japanners dusdanige slagen toegebracht, dat Japanse marineschepen en vliegtuigen niet meer te verwachten waren in de Banadazee.
Omdat de aandacht voor Java wat toenam, werd er een plan ontwikkeld om Java te benaderen via kleine eilandjes als z.g. “stepping stones”.

Men zou hier telkens op het maximale bereik van een PT-boot, bases inrichten voor PT-boten en al doende informatie verzamelen over Java. De operatie zou worden uitgevoerd door het SRD (Special Reconnaissance Department) en NEFIS III. Men ging uit van twee parties per object, een commando-achtige verkenningsparty Inco (Intelligence Commando) en de party, die de opbouw van de PT-boot basis zou verzorgen (PT staat voor Patrol Torpedo Boat).

Het was dan ook de bedoeling om de bevolking te bewapenen en te trainen, zodat men zich kon weren tegen uit kleine vaartuigen landende Japanners of voor hen werkende inlanders. Op bovengenoemde datum vertrok Inco III met de MLD vliegboot Y-57 naar Nila en kwam vanaf Nila met de logger Kalwedo aan op Damar. De situatie was gunstig en Salmon I werd op 14 juni eveneens door de Y-57 ingevlogen.

Tot de diverse opdrachten van Salmon I, hoorde ook het inrichten van een radiostation en het daarmee onderhouden van contact met de commandant van de Salmon-operatie, gevestigd bij het LMS (Lugger Mainenance Station) en op de voorgaande radiodiagrammen is te zien, dat die verbinding via Batchelor verliep.

Men moest ook radiocontact onderhouden met Turnip II op het eilandje Nila. Echter verder dan deze eerste actie kwam deze operatie niet, omdat het operationele gebied werd gewijzigd. Dit deel van Nederlands-Indië ging van de Amerkanen over naar de Britten en werden er geheel nieuwe prioriteiten en plannen vastgesteld.

A PT boat patrolling off New Guinea, 1943. By Official U.S. Navy Photograph, now in the collections of the National Archives – United States National Archives 80-G-53855, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=9977408.

The 11th of June 1945:

At that time the Americans had dealt such blows to the Japanese, that Japanese navy ships and airplanes were no longer expected in the Banda sea. Now the attention for Java increased a bit and a plan was developed, to close-inn on Java by using small islands as stepping stones.

Each time at the maximum range of a PT-boat (Patrol Torpedo Boat), a PT-boat base would be made on a small island and at the same time gather information about the situation on Java. This operation would be carried out by the SRD (Special Recognisance Department) and NEFIS III. For each object two parties would be used, a commando like recognisance party, called Inco (Intelligence Commando) and a party that would construct the PT-boat base.

They would also supply arms to the population and give them training, so they could defend themselves against small vessels with Japanese soldiers or hostile natives. On the first mentioned date, Inco III left Australia with Dutch Navy seaplane Y-57 for Nila and went on with the lugger Kalwedo to Damar. There the situation was OK and party Salmon I, was flown in on the 14th of June by the Y-57.

Salmon I had several missions and one of them was to construct a radio station and by means of that keep in contact with the commander of the operation, who had his command post at the LMS (Lugger Maintenance Station). On the previously shown radio diagrams can be seen that this radio link was going via Batchelor.

Salmon I should also maintain contact with Turnip II on Nila. However the operation came no further than this first beginning, because the large Operational Area was changed. Now this part of the Dutch East Indies was passed-over from the Americans (Mac Arthur) to the British. New plans and priorities were set.

4 juli 1945:

Onderzeeboot Hr. Ms. K-XV vertrekt uit Australië met de NEFIS Inco 1 party, die opdracht had om een eiland te verkennen ten behoeve van benzineopslag, tevens diverse andere eilanden te verkennen op aanwezigheid van Japanners en verder moest er contact gemaakt worden met twee groepen op verschillende eilanden, om deze te bevoorraden. Men ging eerst naar het eilandje Damar, noordoostelijk van Timor, daarna naar Goenoeng Api en diverse andere eilandjes in de Banda- en Floreszee. Deze missie was een succes.

The 4th of July 1945:

The submarine Hr. Ms. K-XV leaves Australia with NEFIS party Inco 1. The mission is to find an island suitable for a kerosene storage and furthermore to check a few other islands for the presence of Japanese. Also two other parties on different islands had to be supplied. They first went to the island Damar, northeast of Tomor, then to Goenoeng Api and several other islands in the Banda and Flores sea. This mission was successful.

Island Damar. Door K. Sumaryano, (Volcanological Survey of Indonesia) – http://www.volcano.si.edu/world/volcano.cfm?vnum=0605-04=&volpage=photos&photo=012047, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11045196.

12 juni 1945:

Een groep KNIL-militairen onder bevel van onderluitenant H. P. G. van Haren wordt op Damar aan land gezet met een van Nila afkomstige logger. Dit was ook onderdeel van de “stepping stone” operatie, die werd gestopt

The 12th of July:

A group of KNIL-soldiers under the command of H.P.G. van Haren is put on Damar, using a Lugger from Nila. This was also part of the “stepping Stone” operation, that was cancelled.


14 juni 1945:

De Bruïne’s party werd met een Catalina-vliegboot op Damar aan land gezet. Dit was ook onderdeel van de “stepping stone” operatie, die werd gestopt.

The 14th of June 1945:

A party under Lieutenant de Bruïne is flown to Damar by a Catalina sea plane. This was also part of the “stepping Stone” operation, that was cancelled.

De guerrilla op Timor  /  The Guerrilla on Timor

Timor bestond uit een Nederlands en een Portugees deel. Het Portugeese deel werd ook door Nederlandse en Australische troepen bezet, om een Japanse aanval af te weren. Echter het mocht niet baten, de Japanners landden op 20 februari 1942 op beide delen en wonnen. Echter een deel van een Australisch detachement, de Independent Company en een deel van de KNIL-troepen waren uit handen van de Japanse strijdkrachten gebleven en een guerrilla-oorlog begonnen.

Na twee maanden wisten de Australiërs uit reserve onderdelen en met door een Portugees uit de hoofdstad gesmokkelde onderdelen een geïmproviseerde zendontvanger te maken, die later “Winnie the War winner” ging heten. Hiermee lukte het op 20 april 1942 om contact te krijgen met een radiopost van het Australische leger in Darwin. Men vroeg om geld, medicijnen, wapens en munitie. Was dit bericht wel betrouwbaar? Ter verificatie werden vragen gesteld, zoals in welke stad en straat de betreffende officier in Australië woonde, waar hij naar de pub ging en hoe de lievelingskat van zijn vrouw heette. Alle antwoorden waren correct.

The island Timor existed out of a Dutch part (the west side) and a Portugese part (the east side). The Portugese part was occupied by the Dutch and the Australiana as a preventive measure against the landing of the Japanese. However it was in vain, the Japanese landed on the 20th of February 1942 and did win. A part of the forces did surrender and another part fought on, gradually becoming a guerrilla war. These were some Dutch KNIL forces and the Australian Independent Compagny.

After two months the Australiens managed to gather radio parts and made an improvised receiver and transmitter, that was later named “Winnie the War winner”. With this device they finale succeeded the 18th of April 1942 to contact a radio communication station of the Australian Army in Darwin. They asked for money, medicine, weapons and munition. However in Australia they wondered, if this message could be trusted. To verify, they asked the following questions: in what town and street in Australia the officer normally was living, what was its regular pub and wat was the name of the favourite cat of his wife. All answers were correct.

THE WIRELESS SET “WINNIE THE WAR WINNER”, AN EXHIBIT AT THE AUSTRALIAN WAR MEMORIAL, CANBERRA. MEMBERS OF SIGNALS, 8TH AUSTRALIAN DIVISION, POOLED THEIR RESOURCES TO BUILD A SET CAPABLE OF RAISING DARWIN. AFTER MANY TRIALS AND MUCH REVISION, AUSTRALIA WAS CONTACTED ON THE 1942-04-18, AND DARWIN WAS MADE AWARE THAT THE AUSTRALIANS IN TIMOR WERE STILL ALIVE AND FIGHTING. Australia War Memorial photo collection. Accession Number     060150.

Men kreeg al snel de beschikking over een tweede zendontvanger, die door Portugezen stiekem uit een op het vliegveld achtergebleven Australisch verkeersvliegtuig gesloopt werd.
Eind april werden al voorraden afgeworpen voor de guerrilla’s. In mei landden Amerikaanse vliegboten aan de zuidkust van Portugees Timor en vanaf eind mei verzorgden twee kleine schepen van de Australische marine de bevoorrading.

De strijd op Nederlands Timor onder leiding van kapitein Breemouer was moeilijk. Men werd niet alleen door de Japanners aangevallen, maar ook door de z.g. Black Column, door de Japanners gerekruteerde hulptroepen. Echter men kreeg ook steun van 100 Timoreese oud-KNIL militairen. Verder kreeg men inlichtingen van een door de gepensioneerde KNIL-kapitein R. Agterbeek ondergrondse organisatie.

Men raakte toch uit elkaar en werd teruggedreven.
Op Portugees Timor kregen de Australische troepen steun, want daar hadden de Japanners flink geplunderd, dus was de inlandse en de Portugese (bannelingen) bevolking op de hand van de geallieerden. Begin september werd de Independent Company versterkt met een tweede company.

Het Japanse regiment werd echter vervangen door de 48ste infanteriedivisie vanuit Java. De druk op de Australiërs en de KNIL-troepen nam toe en op Oost-Timor, brandden de Japanners de dorpen plat waar de guerrillastrijders hulp gevonden hadden. Het gevolg was dat er minder hulp aan de guerrilla’s werd geboden.

Soon they had a second radio set that the Portuguese inhabitants had illegally taken from an Australian airliner that was left on the airfield. At the end of April, there were already supplies dropped for the guerrillas. In May American seaplanes landed at the south coast of Portuguese Timor and starting the end of May, two small Australian Navy ships took care of the supply.

The fighting on Dutch Timor, led by KNIL Captain Breemouer was difficult. They were not only attacked by the Japanese, but also by the so called “Black Column” that was an armed force recruited by the Japanese under the natives, to assist the Japanese. However the KNIL guerrilla’s got some support from about 100 pensioned KNIL-personnel. Furthermore they got military intelligence from a group that was formed by the pensioned KNIL-Captain R. Agterbeek. Despite the help they were driven back.

On Portugese Timor, the situation was very different. The Australians did get support, because the Japanese had looted severely, so the native people and the Portuguese (exiles) population were an the hand of the Allies. At the beginning of September, the Independent Company was reinforced with a second company.

The Japanese regiment was now replaced by the 48th Infantry Division coming from Java. The pressure on the Australian and KNIL forces was mounting. On East Timor the Japanese burned down all villages, that had helped the Australians. The result was that they were getting less help.

Hr. Ms. Tjerk Hiddes. Photo collection Netherlands Institute for Military History (NIMH). Objectnummer 2158_012343.

Het GHQ in Australië besloot er wat aan te doen. Ten eerste moesten de Nederlandse troepen ververst worden. Echter het schip, wat deze verse troepen vervoerde werd tot zinken gebracht, waarbij bijna alle Nederlandse opvarenden om kwamen. Daarna werd besloten om zowel het KNIL als de Australische troepen te evacueren samen met de meewerkende Portugezen en hun gezinnen.

De evacuatie werd ondernomen door de Nederlandse torpedobootjager Hr. Ms. Tjerk Hiddes, die met drie tochten het overgrote deel voor haar rekening nam. De tweede Independent Compagnie werd door een Australische torpedobootjager afgehaald. En de twee laatste groepjes door een Amerikaanse onderzeeboot.

Toch had de guerrilla op Timor zijn nut gehad. Een goot aantal Japanners was gesneuveld en men had een grote legermacht op het eiland gebonden, die anders wellicht elders was ingezet, waar de Japanners inmiddels in het nauw gekomen waren. De guerrilla koste wel het leven van 35 KNIL-militairen en 40 Australische militairen. Bovendien brak er na de evacuatie een terreur uit op Portugees Timor als straf voor de door de bevolking verleende medewerking.

The GHQ in Australia decided to do something about it. At first the Dutch forces should be relieved. However the ship that was on its way with fresh Dutch troops was sunk and almost all Dutch troops lost their lives. Then was decided to evacuate the Dutch and the Australian troops, together with the cooperating Portuguese and their families. This evacuation was undertaken by the Dutch destroyer Hr. Ms. Tjerk Hiddes, that evacuated in three subsequent voyages most of them. The second Independent Compagny was evacuated. By an Australian destroyer. The two last groups were evacuated by an American submarine.

Still the guerrilla on Timor has served its purpose. A large number of Japanese had been killed and a large Japanese force had been bound to the island, that in another case would have been used somewhere else, now the Japanese were forced into the defence. The guerrilla costed the lives of 35 KNIL men and of 40 Australians. And after the evacuation the population of Portuguese Timer was exposed to a severe Japanese terror, as punishment for collaborating with the Allies.

Dutch KNIL Timor-fighters back in Australia at Darley Camp 1943. Inspection by the Commander  of the Dutch forces in Australia Rear Admiral Koster and Lieutenant Colonel Van Straten, commander of the Dutch Army forces in Australia. Photo collection Netherlands Institute for Military History (NIMH). Objectnummer 2155_023365.

Ondanks de terreur bleven vooral de Portugese bannelingen (“deportados” genoemd) het verzet voortzetten. Zij bleven ook in radiocontact met Batchelor en konden er voor hen voorraden worden afgeworpen door B-25 Mitchell bommenwerpers van het Nederlandse 18 squadron van de Militaire Luchtvaart (ML). Ook werden er in 1943 t/m 1945 parties naar hen toegestuurd onder leiding van de Britse SOE, waarvan weer enkele in Japanse handen vielen.

Een door de SOE uitgezonden party van twee Portugezen en een Australische marconist viel in Japanse handen.  De Marconist gaf onder martelingen zijn codegeheimen prijs. De Japanners deden zich nu voor als zijnde de betreffende party. De SOE bleef enige tijd voorraden en zelfs parties zenden naar door de Japanners opgegeven punten.

Echter toen functionarissen van de decoderingsdienst van het Special Reconnaissance Department waarschuwden, zond men een party naar Oost-Timor zonder dat er een afspraak was gemaakt om haar op te vangen. Die party kon met eigen ogen zien dat de Australische marconist op een bepaalde plek stond om daar in het gezelschap van drie Japanse militairen per parachute afgeworpen voorraden in ontvangst te nemen. Het radioverkeer met de Japanners werd nu eindelijk verbroken. Maar het verzet is tot aan de Japanse nederlaag volgehouden.

Despite this Japanese terror the Portuguese exiles (called “Deportados”) were continuing the resistance. They stayed also in radio contact with Batchelor and supplies could be dropped by B-25 Mitchell bombers of the Dutch 18 squadron. Between 1943 and 1945, parties were send to them by the British SOE, however some of those were again caught by the Japanese.

A party send by the SOE existing out of 2 Portuguese and an Australian telegraphist were caught by the Japanese. The Marconist was tortured until he gave his secret codes. The Japanese now pretended to be the party. The SOE continued for some time to send supplies and even send parties to points indicated by the Japanese.

However, when some officers of the decoding service of the SRD (Special Operations Australia) did warn them, a party was send to Portuguese Timer, without making an appointment to receive them. This party then saw that the Australian telegraphist standing together with the Japanese on a certain location, that was given, where supplies would be dropped. After all, the radio contact with the Japanese was discontinued. However the resistance on Timor was sustained until the Japanese surrender.

Sumatra

Covert actions on Sumatra. Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication. Edited by Hugo Ouwerkerk.

3 mei 1942:

Na een seintje van de Britse inlichtingendienst had men via het marinestation Beach View radiocontact gekregen met de KNIL-guerrillagroep in midden-Sumatra onder leiding van generaal-majoor Overakker en kolonel Gosenson, waarna dit radiocontact weer verloren ging.

Daarna werd snel een missie georganiseerd om ter plaatse informatie te verkrijgen over de toestand van de guerrilla’s. Eerste luitenant Wijnmalen zou hiervoor door een duikboot aan land gezet worden. Op bovengenoemde datum vertrok Hr. Ms. K-XV met deze opdracht en zette Wijnmalen op de westkust van Sumatra, ca. 40 km zuidelijk van Padang aan land.

De afspraak was, om deze na 11 dagen daar weer op te pikken. Wijnmalen zou een afgesproken code seinen met een lamp. Echter er werd niets waargenomen en men heeft toen nog 3 nachten met de periscoop en met een rubberbootje met twee man de kust afgezocht, waarna de K-XV onverrichterzake terug ging naar Ceylon.

Later is gebleken dat Wijnmalen snel in handen van de Japanners is gevallen en vervolgens is gemarteld en geëxecuteerd.

The 3rd of May 1942:

After a call from the British intelligence service, the Dutch Navy’s radio station at Beach View Colombo on Ceylon came in contact with the KNIL-guerrilla group on mid-Sumatra, that was led by General-Major Overakker and Colonel Gosenson. However soon this contact was lost.

Quickly a mission was organised to get local information about the status of the guerrilla’s. For this purpose, First Lieutenant Wijnmalen would be put ashore by a submarine. On above mentioned date submarine Hr. Ms. K-XV went for this mission to the west coast of Sumatra and landed Wijnmalen about 40 km south of Padang.

Agreed was to pick him up again after 11 days. Wijmalen would then give an agreed code signal with a light. However, nothing was seen and the K-XV searched the coast for three night with its periscope and by 2 men in a dingy. Then the K-XV left for Ceylon, with no result.

Later was heard, that Wijnmalen was caught by the Japanese very soon and then was tortured and executed.


13 december 1942:

Toen zette de Hr. Ms. O-24 een verkenningspatrouille van het Korps Insulinde bij Troemon aan de westkust van Atjeh aan land. Commandant was majoor Pel, de party bestond verder uit de luitenants Scheepens en Sisselaar met 6 anderen, inclusief een telegrafist van de Koninklijke Marine.

The 13th of December 1942:

The submarine Hr. Ms. O-24 landed a recognisance patrol of the unit Insulinde near Troemont at the west coast of Aceh, Sumatra. The party existed out of the commander Major Pel, Lieutenants Scheepens and Sisselaar and 6 other men, including a telegraphist of the Dutch Navy.

On board of the Hr. Ms. O-24; breakfast in the forward torpedo room. Photo collection Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).

De opdracht was, om contact op te nemen met de bekende zelfbestuurder van Troemon en zoveel mogelijk inlichtingen te verzamelen, speciaal ook of clandestiene rubbertransporten konden worden georganiseerd. Er werd met 5 tweepersoons kano’s, dwars door de sterke branding gevaren en behouden geland.

De zelfbestuurder bleek vervangen door een pro-Japanse en werd niet gezien. Toch kreeg men veel informatie van de bevolking. Bij terugkeer naar de onderzeeboot sloegen de kano’s in de branding  om. Maar na wat strubbelingen keerde iedereen behouden op de O 24 terug.

The mission was to contact the well-known Administrator of Troumont to gather as much information as possible and especially to know if clandestine rubber transports could be organised. With 5 two-person canoes they paddled through the strong surf and succeeded to land.

However it appeared that the well-known administrator was replaced by the Japanese for another pro Japanese one, that kept in hiding. Even so they did get a lot of information from the local population. When turning back to the submarine, the canoes capsized in the surf, but eventually they all came back safe on board the O-24.


19 december 1942:

Een Catalina van de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) zette een party van vijf Engelsen af, ca. 80 kilometer zuidelijk van Troemon.

The 19th of December 1942:

A Dutch Navy Catalina landed a party of five British, about 80 km south of Troemon.


13 februari 1943:

De O-24 bracht een party van het Korps Insulinde naar de noordkust van Atjeh bij Lhokseumawe. De party bestond uit zeven militairen onder bevel van Scheepens. De opdracht was, zoveel mogelijk inlichtingen te verzamelen. Echter er stond teveel branding aan de kust en men keerde onverrichterzake terug. Achteraf bleek, dat van de meegekregen zendontvanger de accu’s droog stonden. Er werd een niet mis te verstane klacht geuit bij de SOE, die verantwoordelijk was voor die voorbereiding.

The 13th of Februari 1943:

The submarine Hr. Ms. O-24 brought a party of the unit Insulinde to the north coast of Aceh near Lhokseumawe. The party existed out of 7 men under the command of Lieutenant Scheepens. The mission was to collect as much intelligence as possible. However the surf at the coast was to strong and they returned without result. Then appeared that the wet batteries for the radio set that were supplied for this mission did not have any battery-acid. So a severe complain was issued to the SOE, that was responsible for the preparation.


17 april 1943:

Een party die bestond uit Scheepens, 5 andere militairen en 2 Britse inlichtingenofficieren, werd met de Hr. Ms. O-24 naar Troemon gebracht.  Het doel was een bekend Atjehs volkshoofd te bereiken en te bewegen om een inheemse verzetsgroep te beginnen, die steun zou kunnen geven aan verdere acties van geheim agenten en saboteurs. Echter na in een soort hinderlaag te zijn gelopen, waarbij men met geweren en automatische wapens werd bestookt, keerde men terug naar de O-24.

The 17th of April 1943:

A party that existed out of Lieutenant Scheepens, 5 other men and 2 British intelligence officers, was brought to Troemont by the Hr. Ms. O-24. The mission was to make contact with a well-known foreman of the population and to convince him to start a resistance group, that could assist secret agents and saboteurs. However they were ambushed, being shot at with rifles and automatic weapons, they managed to come back on board the O-24.

Hr. Ms. O 24 just after the war, for the first time after absence of 6 years she sails up the New Meuse near the Park harbour in Rotterdam. Photo collection Netherlands Institute of Military History (NIMH). Object no. 2158_005773.

19 april 1943:

Toen werd  tijdens dezelfde reis vanaf de O-24 bij Seumanjam een eerste landing uitgevoerd. Waarbij het bedoelde volkshoofd zich niet liet zien. De party ging terug naar de O 24. De volgende avond ging men weer aan land en pikte toen twee Atjehse landbouwers op, die op Ceylon werden verhoord.

On the 19th of April 1943:

During the same voyage with the O-24, a landing was executed at Seumanjam. However the known peoples foreman stayed hidden. The party went back to the O-24. The next evening the went ashore again and kidnapped two peasants and interrogated them at Ceylon.


Eind april 1944:

In opdracht van de SOE op Ceylon vervoerde een Britse onderzeeboot een grote party van 19 personen, bestaande uit 3 Britse officieren, 7 Brits-Indische militairen en 9 man van het Nederlandse korps Insulinde, waaronder 2 officieren en 1 Indiër. De opdracht was om kustgedeelten van Atjeh op Sumatra te onderzoeken op de mogelijke aanleg van vliegvelden. Twee locaties bij Tjalang  en twee locaties bij Meulaboh.

De eerste locatie kon men niet vinden als gevolg van slagregens. De volgende twee locaties wist men wel te vinden en werden verkend. Bij de 3e locatie werd men gezien door Atjeeërs die wegrenden, waarna men de verkenning afbrak. Later ging men weer terug. Kapitein Scheepens van Insulinde had opdracht om enkele Atjeeërs te ontvoeren, maar dat mislukte.

Scheepens wilde nu de actie beëindigen, ervan uitgaande, dat de Japanners inmiddels wel gewaarschuwd zouden zijn. Echter de Britse officieren wilden doorgaan met de volgende landing. De Britten gingen met 3 man aan land, werden door de Japanners beschoten en sneuvelden. De roeiploeg, waaronder Nederlanders kwam met moeite weer aan boord van de onderzeeboot.

The end of April 1944:

Commissioned by the SOE on Ceylon a British submarine transported a large party of 19 men, existing out of 3 British officers, 7 British-Indian men and 9 Dutchmen of the unit Insulinde, including 2 officers and one native soldier. The mission was to investigate certain parts along the coast of Aceh, to see if there were possibilities for eventual construction of airfields. This at two locations near Tjalang and two locations near Meulaboh.

The first location was not found due to severe rain. The next two locations were found and a recognisance was carried out. At the third location they were spotted by two Aceh natives that did run away. The recognisance was aborted. Later they went back. Scheepens, now Captain, was supposed to kidnap two Aceh native people, but he did not succeeded in doing so.

Captain Scheepens wanted to abort the action, because he thought, that by now the Japanese would have been warned. However the British officers wanted to carry on with the next landing. The British went ashore with 3 men, came under fire and were killed. The mainly Dutch rowing team reached the submarine with great difficulty.


7 mei 1944:

Werd door de SOE en OSS een actie uitgevoerd op het eiland Simaloer onder de zuidkust van Atjeh. Een onderzeeboot zette daar een party van 2 Britten en 4 Amerikanen aan land. Deze party had een radiozendontvanger bij zich. De opdracht was ook weer om een locatie voor een vliegveld te onderzoeken en daarna een pad op de kaart te volgen naar de oostkust, alwaar de onderzeeboot hen weer zou oppikken.

Door de sterke branding was de landing moeizaam en men kwam zo uitgeput op het strand, dat men vergat het afgesproken lichtsignaal naar de onderzeeboot te geven. De locatie voor het eventuele vliegveld werd onderzocht, maar het voetpad werd niet gevonden. Men moest zich dus een weg door de jungle banen.

Na een week waren de voeten van de militair die de zender droeg (die woog ca. 20 kg), ‘just like lumps of raw meat’. De schoenen begaven het in deze jungle, één lid van de party bereikte de oostkust op blote voeten en een tweede moest het allerlaatste gedeelte van de tocht op handen en voeten afleggen. De party werd compleet afgehaald, maar alle leden moesten op Ceylon in een ziekenhuis worden opgenomen, lijdend aan ernstige infecties. De opdracht was met succes afgerond, maar het was dus een zwaar leertraject geweest.

The 7th of May 1944:

An action on the island Simalur under the south coast of Aceh was organised by the SOE and the OSS. A submarine landed  a party of 2 Brits and 4 Americans. The party was equipped with a radio set. The mission was again to search for a suitable location fort the eventual construction of an airfield. After that, they were supposed to follow a trail on the map, leading to the east coast, where a submarine would pick them up.

However, due to the strong surf, the landing was that difficult, that the men got more or less exhausted on the beach and they forgot to give the submarine the agreed light signal. The location for the eventual airfield was investigated, however they did not find the proposed trail, that was on the map. So they had to force their way through the jungle.

After a week the feet of the man that was carrying the radio were “just like lumps of raw meat”. Their boots were disintegrating in the jungle. One party member reached the east coast on bare feet and another had to do the last stretch on hands and feet. The party was successful extracted, but had to be taken to the hospital, suffering from all kinds of severe infections. The mission was successful, but had also been a hard learning school.


14 mei 1944:

Toen werd een Britse geheime agent door de Britse onderzeeboot die party op Simaloer moest afhalen, aan land gezet op het eiland Weh waarop Sabang ligt, met de belangrijke haven in de Sabang-baai. Echter er werd niets meer van hem gehoord, hij is vermoedelijk door de Japanners terechtgesteld.

On the 14th of May 1944:

A British secret agent was on board a submarine that would pick-up the party on Simalur. The agent was dropped off at the island of Weh, on which was the important harbour at the Sabang bay. However nothing was heard from him and he is probably caught by the Japanese and executed.


22 juni 1944:

In het kader van de wens van de SOE om een grote illegale organisatie in Sumatra op te richten, zette een Britse onderzeeboot een eerste party van 8 personen aan land bij Medan. Daarbij werd voor het eerst gebruik gemaakt van een rubberboot met buitenboordmotor. Echter die liet een fosforescerend spoor achter, wat op grote afstand te zien was. In de wateren van Nederlands-Indië was er vaak fosforescerend plankton in zee, wat bij beroering een lichteffect afgaf.

De party bestond uit 5 man van het korps Insulinde en 3 Chinezen. De opdracht was, dat de Chinezen op Sumatra zouden proberen uit te zoeken wat voor legitimatiebewijzen en distributiepapieren er nodig waren. Men moest minstens 2 Chinezen weer mee terug nemen. Echter nadat men terug ging naar de landingsplaats om de Chinezen op te pikken, was er niemand te zien.

Vervolgens werd een douane-ambtenaar gekidnapt. En uit een jonk ook nog een Chinees. Die konden wel wat vertellen over de Japanse sterkte in Medan, maar persoonsbewijzen of distributiekaarten hadden deze niet. En was het dus niet gelukt om aan de opdracht te voldoen.

The 22nd of June 1944:

In view of the wish of the SOE, to establish a large illegal organisation on Sumatra, a British submarine landed a party of 8 persons at Medan. At that occasion, for the first time, a rubber boat with outboard motor was used. However this created a large fluorescent trail, what was visible over a large distance. In the waters of the Dutch East Indies there was often bioluminescent plankton present, giving a glowing light effect when stirred.

The party existed out of 5 men from Insulinde and 3 Chinese. The mission was for the Chinese to find out, what kind of papers for legitimation and distribution were needed on Sumatra. The other men should take at least two of the Chinese back again. However when they went back to the landing location, to pick them up, nobody was there.

Then they kidnapped a customs servant and also from a boat they kidnapped a Chinese. They told them something about the Japanese military strength in Medan, but they did not have personal identity cards or distribution cards. So this mission was not successful.


Eind juni 1944:

Nog enkele groepen Chinezen werden aan land gebracht, waarvan ook niets meer werd vernomen. Volgens luitenant Sisselaar van het korps Insulinde werd de kust goed gecontroleerd door Japanse patrouilles en burgerpatrouilles. De parties werden gesignaleerd tijdens het aan land brengen van voedsel en uitrusting. Aangenomen moet worden dat de parties binnen korte tijd werden uitgeschakeld.

The end of June 1944:

A few more Chinese groups were brought ashore, of which either nothing was heard again. According to Lieutenant Sisselaar of Insulinde the Japanese had the coast very well under their control, by means of Japanese patrols, as well as patrols by collaborating natives. The parties were spotted during the time they needed to bring the food and equipment onshore, Shortly after that they were captured.

Infantry officers of the KNIL before the Japanese occupation posing for a photograph before they were send to England, to join the over there new formed Dutch corps. With the exception of Lieutenant-Colonel Meijer, later they all joined the Dutch commando unit Insulinde on Ceylon that supported the insertion of agents and parties into Sumatra. From the left to the right: L.A. van den Berge, J.K. Meijer, H.E. Wijnmalen, W.J. Scheepens, , F. Mollinger, H.G.C. Pel. Photo collection Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Objectnummer 2155_021334.

Juni 1944 tot maart 1945:

In deze periode heeft de OSS op Sumatra meer verkenningen uitgevoerd, waarover minder bekend is. Twee agenten werden midden september van de uiterste zuidwestpunt van Sumatra opgehaald en in die periode werden er ook twee afgezet op de westkust van Sumatra. Die werden midden december weer opgehaald. Met één agent kreeg men eind september een onduidelijk radiocontact uit het gebied van Straat Soenda. Verder werden midden december nog enkele agenten aan de westkust afgezet.

End of Juni 1944 up till March 1945:

In this period the OSS has executed some recognisance missions on Sumatra, of which is known less. Mid-September two agents were picked-up from the most south-west point of Sumatra and in the same period two were landed at the west coast of Sumatra, that were picked-up again in Mid-December. Whit one agent there was a unclear radio contact from the area of the Straight Sunda. Furthermore two more agents were landed on the west coast in Mid-December.


1 maart 1945:

Nog steeds in het kader van de SOE gedachte betreffende een grote illegale organisatie op te richten op Sumatra, ging er weer een party naar Atjeh (waar men al een paar keer de neus gestoten had). De party had een Britse commandant, 4 Chinezen en 10 man van het korps Insulinde, onder hen Captain Scheepers.

De opdracht was om de Chinezen aan land te brengen, welke contact moesten maken met Atjeeërs om de illegale organisatie op te richten. Bij twee landingspogingen braken al direct vuurgevechten uit met Japanners. Toch kwam men behouden weer aan boord van de onderzeeboot. Men heeft toen 9 opvarenden van een kleine kustvaarder opgepakt, om er achter te komen, hoe de Japanse kustbewaking werkte. Echter deze mensen wisten niets. Deze missie was dus een fiasco.

The 1th of March 1945:

The SOE still had the plan for a large illegal organisation on Sumatra and in view of that a party was send again to Aceh, despite all previous experiences with the hostile population in Aceh. The party had a British commander and 4 Chinese. They were supported by 10 men of Insulinde led by Captain Scheepens.

The mission was, to put the Chinese ashore, that had to contact Aceh natives and spur an illegal organisation. At two landing attempts, at once a fire fight broke out with the Japanese. Still they managed to get safely back on board of the submarine. Then they kidnapped 9 crewmembers of a small coaster, to find out how the Japanese coastal defence was working. However these people did not know anything. The mission was a failure.

28 juni 1945:

De SOE op Ceylon had nu het plan opgevat om parties van 4 man te vormen, elk voorzien van een radiozendontvanger, die per onderzeeboot of vliegtuig naar Sumatra zouden worden gebracht. Ze zouden zich in het oerwoud moeten handhaven tot de geallieerde invasie kwam en intussen gegevens doorseinen, onder andere over het weer en indien dit verantwoord leek contact maken met Chinezen of Indiërs.

In dat kader vertrok de party Sisselaar, met een Chinese marconist en twee Javanen. De party werd per parachute gedropt in de buurt van Rantauparat op Sumatra, ten oosten van het Tobameer. Na enige tijd kwam men met de radio in de lucht, maar dat ging moeilijk.

Luitenant Sisselaar: “Ik had één radiotelegrafist die continu moest seinen, want op 1500 mijlen was de verbinding zeer slecht. In plaats van een kwartier te zenden zat die man er de gehele dag aan. Wij laadden steeds maar accu’s op”. Deze party controleerde de wegverbinding naar het 300km verder naar het noordoosten gelegen Medan.

The 28th of Juni 1945:

The SOE now thought to form party of 4 men each, equipped with a radio set. They would be transported to Sumatra by submarine or airplane. They should try to survive in the jungle, until an Allied invasion. In the meantime they should report by radio local intelligence and weather reports and if deemed safe they should contact Chinese or natives.

In view of this plan, party Sisselaar, including also a Chinese telegraphist and two natives from Java, was parachuted near Rantauparat, east of the Toba lake on Sumatra. After some time they got on the air with their radio set, but the radio signal was poorly readable..

According Lieutenant Sisselaar “I had one telegraphist that had to send continuously, because the propagation over the distance of 1500 miles was poor. Instead of 15 minutes, it took all day to get the message across and we were continuously charging the batteries” (pedal generator). This party was on a location overseeing the main route to Medan, 300 km to the northeast.


1 juli 1945:

De volgende was de party van sergeant Lefrandt met één Chinees en twee Arabieren. Deze werd per parachute gedropt op een beboste berg ten zuidoosten van Koetaradja (tegenwoordig Banda Atjeh). Men vond een locatie, waar men uitzicht had op de wegen naar Koetaradja, de scheepvaart en het vliegveld.

Deze party seinde gegevens door over dit verkeer. Kapitein-luitenant-ter-zee C. J. Wingender, de Nederlandse vertegenwoordiger in de Anglo-Dutch Country Section van de SOE, verklaarde achteraf dat hij de overgeseinde inlichtingen over het algemeen niet zo belangrijk vond. Maar het was al heel wat, dat men een keer iets terug hoorde.

The 1st of July 1945:

The next party was dropped by parachute existing out of Sergeant Lefrant with one Chinese and two Arabs. They were dropped on a tree-covered mountain southeast of Koetaradja (nowadays called Banda Aceh). They found a location with a view on the roads to Koetaradja , sight on the shipping and the airfield.

The party transmitted information on the traffic. The Dutch representative in the Anglo-Dutch country section of the SOE, Captain Lieutenant Commander C.J. Wingender, reported afterwards, that the transmitted intelligence was not of much importance. But even so that they were glad to finally hear something back from parties send to Sumara.


4 juli 1945:

Een Britse onderzeeboot brengt de party van de Britse Captain Lodge (een voormalige planter op Sumatra) aan land bij Bagan Siapiapi, ten oosten van Rantauparapat.
De party bestaat verder uit een Chinese telegrafist en twee andere Chinezen.

Men had voor de verandering eens geluk, dat men zich toevallig bij een kampong bevond, waar de Japanse Kempetai pas de bevolking had mishandeld. Men was daar nu zo tegen de Japanners, dat er een groep van 50 man kon worden gevormd, die van enige wapens werden voorzien. Echter de andere twee parties vonden geen Indiërs bereid om tegen de Japanners op te treden.

Maar de SOE had nu wel eindelijk drie parties te velde, die zich wisten te handhaven en die versterkt konden worden, want er stonden nog vier parties gereed. Toch was hetgeen de Anglo-Dutch Country Section van de SOE in de laatste twee jaar van de oorlog op Sumatra bereikte zeer pover vergeleken met wat andere sections van deze Britse geheime dienst in Birma, Thailand en op Malakka wisten te bereiken.

The 4th of July 1945:

A British submarine brings a party ashore, commanded by Captain Lodge (a former planter on Sumatra) near Bagan Siapiapi, east of Rantauparapat.
The party exister furher out of a Chinese telegraphist and two other Chinese.

They were lucky for a change, because the nearby kampong (village), was just raided by the Japanese Kenpeitai and they had mistreated the villagers badly. So they were now freshly anti-Japanese and a group of 50 men could be formed and supplied with some weapons. However the other two parties  did not find anyone willingly to help them against the Japanese.

But finally the SOE had now three parties still  free and active in the field, that could be reinforced, because they had four other parties ready to go. Still the accomplishment of the SOE on Sumatra in the last two years of the war, was very poor, compared to what the other sections of this British secret service had accomplished in Burma, Thailand and Malacca.

Borneo

Covert action on Borneo. Fragment of an overview chart of the mandatory routes for the shipping of the Koninklijke Paketvaart Maatschappij (Royal parcel shipping company) in the Dutch East Indies. This chart is belonging to the collection of the House of Representatives, part of the Parliament of the Koninkrijk der Nederlanden (Kingdom of the Netherlands). This file is available under the Creative Commons CC0 1.0 Universele Public Domain Dedication. Edited by Hugo Ouwerkerk.

12 januari 1945:

Toen werd met de Catalina-vliegboot Y-87 een verkenningsploeg van party Apple aan land gezet op Borneo bij kaap Tandjoegselor, ten zuiden van Tarakan. Echter men besloot 20 km noordelijkere en dichter bij Tarakan aan met de complete party aan land te gaan. De party bestond uit 8 man, waaronder de telegrafist W.F. Schenau.

De opdracht was, om in het kader van het geplande offensief tegen Tarakan, waar een vliegveld en oliebronnen waren, de Japanse activiteit en sterkte te rapporteren, en geschikte landingsstranden en opmarsroutes door te geven, waarna men eventueel in het binnenland een vooruitgeschoven radiopost moest inrichten. Men is hier gedeeltelijk in geslaagd, maar het lukte telegrafist Schenau, die toch inmiddels zeer ervaren was, niet om contact te krijgen met Comonitor op Morotai.

Zowel met de NEI-set, als met de ATR4A lukte dat niet. Men had vooraf de apparatuur niet zelf kunnen controleren, omdat deze reeds was ingeblikt. Maar Schenau stelde vast, dat de apparatuur wel goed werkte. De party werd op 24 januari 1945 per vliegboot geëvacueerd naar Morotai, wat schijnbaar vooraf al was afgesproken.

Telegrafist Schenau heeft daar de apparatuur gecontroleerd en stelde vast dat deze werkte, alleen de NEI-set was niet helemaal goed. Die werkte wel op de batterijen, maar niet op de trapgenerator. Dat wat dus een NEI-set type III, die rechtstreeks op de trapgenerator kon werken. Dus weer was de controle vooraf niet goed geweest. Van collega’s hoorde hij, dat ook zij soms door onverklaarbare oorzaak geen verbinding konden krijgen.

Dit zal ook weer, zoals eerder aangegeven het gevolg zijn van een ongunstige afstand tegenover de daar bestaande radiopropagatiesituatie.

On the 12th of January 1945:

Dutch Navy Catalina Y-87 drops off a recognisance squad of party Apple on the island of Borneo, near cape Tandjukselor, south of Tarakan, however they decided, that the complete party should land about 20 km to the north, closer to Tarakan. The party had 8 men, including Telegraphist W.F. Schenau.

The mission was to report the Japanese activity on and near Tarakan. On Tarakan there were important oil wells and an airfield, both used by the Japanese. The party should also scout for suitable landing beaches and routes for attack, all in relation to the coming offensive against Tarakan. After reporting all of this, the party should search for a suitable location inland to erect a radio communication station. They succeeded partly to accomplish the mission.

However telegraphist Schenau did not menage to make radio contact with Comonitor on the island of Morotai. Both with ATR4A, as the NEI-set he did not get contact, despite the fact that he was a very experienced telegraphist. The party had not been able to check the equipment themselves because it was canned and sealed before they could do so. However Schenau determined that the equipment was working properly. On the 24th of January 1945 the party was evacuated to Morotai, by seaplane.

There telegraphist Schenau checked the radio equipment again and determined that it worked OK, however the NEI-set not completely correct. It worked on the batteries, but not on the pedal generator. So the inspection of the equipment by de material supply department had failed again.
So the set used was a NEI-set type III that could work on a pedal generator. From colleagues he heard that they had also experienced that they sometimes were not able to make radio contact for unknown reason.

Also this mystery would again, as previously mentioned, be the effect of propagation conditions versus a certain distance.


Conclusie /  Conclusion

Er is dus door Nederland veel activiteit ontplooid op het gebied van inlichtingen (intelligence) en daarmee verbonden radioactiviteiten. Echter door onkunde, maar ook door veel pech heeft het niet veel resultaat opgeleverd. Ten aanzien van de gebieden in Nederland-Indië, waar de bevolking op de hand van de Japanners bleek te zijn, zoals op Java en Sumatra, waar Nederland ook de meeste aandacht heeft besteed, blijkt dat de acties onder directe Engelse of Amerikaanse regie hier evenmin succesvol waren.

Zeer veel respect verdienen de mensen die toen de parties vormden, waarbij sommigen aan meerdere van deze acties deelnamen. Het overgrote deel van hen kwam om het leven, zij werden veelal in het openbaar onthoofd, als afschrikwekkend voorbeeld. De enorme tocht door de jungle van Nieuw-Guinea door de jonge sergeant H.M. Staverman en zijn mensen, alsmede de Australische party  was op zich al één van de grootste persoonlijke prestaties van de oorlog.

Dan waren er nog de professionals die ondanks verouderd materiaal en vele voorkomende gebreken onverstoord en nuchter hun werk deden, zij maakten weer één van hun vele marine-spreekwoorden waar; “de Marine is er…. altijd en overal”. Naast de onderzeeboten, hebben af en toe een oppervlakteschip en ook de Marine Luchtvaart Dienst (MLD) en de KNIL Militaire Luchtvaart (ML) hun steentje bijgedragen, met het weinige materieel, wat zij hadden.

Ondanks alle inspanningen met de parties lijkt het erop dat de meest nuttige bijdrage die Nederland aan de geallieerde intelligence (inlichtingen) inspanning in Australië heeft kunnen leveren de radioverbindingen en de NEI-set zijn geweest. In een artikel op de site van de U.S. Army van Michael E. Bigelow, 1 september 2016 staat: “Despite the organizational discord, the AIB had laid the foundations for further intelligence operations by the end of 1942. The Dutch contingent established a radio network that became the mainstay of the AIB’s remote area communications”.

In het boek United States Army in World War II, The Technical Services, The Signal Corps: The outcome, (mid-1943 through 1945) by George Raynor Thompson and Dixie R. Harris, Centre of Military History United States Army Washington D.C., 1991, wordt de NEI genoemd als “a Dutch set having an electric generator driven by a bicycle-type treadle”, die in de Filipijnen campagne werd gebruikt door de guerrillas.

Het was een harde leerschool, waar de betrokken mensen van Marine en Landmacht in korte tijd veel geleerd hebben, o.a. wat betreft de organisatie van een druk militair ontvangststation en het tot stand brengen van vele radioverbindingen onder moeilijke omstandigheden. Van deze opgedane kennis kon men later in Nederland aan het begin van de Koude Oorlog profijt trekken.

So the Netherlands made a large effort in the field of intelligence and in relation to this, also on communication with radio. However, due to inexperience, but also a lot of bad luck, they did not accomplish much result. With regard to the occupied areas of the Dutch East Indies, were the population was collaborating with the Japanese, like on Java and Sumatra on which the Dutch payed much attention, also attempts of the other Allies were not very successful.

A lot of respect deserve the men that formed the parties, some of taking part in several parties. Most of them were killed and a lot of them by means of beheading in public, as a terrifying example. The enormous journey through the jungle by the young sergeant Staverman and his men and the Australian party is maybe on itself to be regarded as one of the greatest accomplishments of the war.

Next to that there were the professionals who despite of old equipment with a lot of occurring defects, did their job sober and undisturbed, they made their Dutch Navy proverb true: “the Navy is there, always and anywhere”. Besides the submarines, the occasional surface ship and also the Navy Air Service and the KNIL Airwing did their very best with what little equipment they had.

Despite all effort with sending parties to the occupied areas, it seems that the best contribution of the Dutch to the Allied intelligence effort, was their radio communication network and the NEI-set. On the internet site of the US-Army in an article of Michael E. Bigelow, of the 1th of September 2016 is written “Despite the organizational discord, the AIB had laid the foundations for further intelligence operations by the end of 1942. The Dutch contingent established a radio network that became the mainstay of the AIB’s remote area communications”.

In the book United States Army in World War II, The Technical Services, The Signal Corps: The outcome, (mid-1943 through 1945) by George Raynor Thompson and Dixie R. Harris, Centre of Military History United States Army Washington D.C., 1991, the NEI set is mentioned as “a Dutch set having an electric generator driven by a bicycle-type treadle”, being used in the Philippine campaign by the guerrillas.

It was a hard learning experience, were the men involved of the Dutch Navy and the Army learned a lot in a short time period. Amongst others, but with regard to erecting and running a busy radio receive stations and making radio contacts under difficult conditions. From this knowledge gained they could make good use in the Netherlands at the beginning of the Cold War.

Geschreven door / written by  : Hugo Ouwerkerk PA5PHO.

Redactie / Editor                             : Joop Kuijntjes PA2JOK.

Op basis van de volgende informatie / sources and acknowledgements: